grote lul gezocht meisjes die willen neuken

Ik heb een vriend in Smilde. Als we elkaar spreken, spreken we elkaar in Amsterdam en dan zegt hij dingen als: Dat ik herken omdat ik een vorig leven een paar maanden in Zuid-Laren heb gewoond, vlakbij de Brink, boven de elektrawinkel van De Boer. Of woorden van gelijke strekking. Het was winter en de kraan van de wastafel op mijn kamer was permanent bevroren, een interessante ervaring.

Als ik van station Assen naar Zuid-Laren fietste en dat deed ik af en toe, kwam je langs de hunebedden, grote stenen die op stapeltjes in de hei ­lagen. Onze Man uit Smilde en ik spreken af bij Luxembourg of Kapitein Zeppos, waar we bij een broodje gezond ingewikkelde dingen bespreken.

Deze keer zaten we in het café van het Stadsarchief. Aan het eind van onze bespreking gekomen, stelde ik voor de tram naar het Centraal te nemen. Maar daar voelde Onze Man uit Smilde niets voor. Hij ging lekker op zijn gemak door de Kalverstraat, een beetje snuffelen. Ik was paf, zoals Hanny Michaelis het in haar dagboek noemt. Iemand die voor zijn plezier door de Kalverstraat ging lopen. Het kon niet waar zijn. Ik besloot toch eens in Smilde te gaan kijken. Huis Te Vraag aan de Rijnsburgstraat is een van de wonderen van de stad.

De aula stond op instorten en de graven en de paden tussen de graven waren overwoekerd door onkruid. Maar mooi was het er. Ik herinner me dat in het conciërgehuisje bij de ingang nog ­oude kranten op tafel lagen, alsof de Cerberus die de toegang bewaakte nog maar net was vertrokken, terwijl de begraafplaats al sinds is gesloten. De laatste keer dat ik Te Vraag aandeed, was in het begin van de jaren negentig, in het vroege voorjaar. De aula werd bewoond, de ­paden waren weer toegankelijk en de grafstenen zichtbaar.

Er stonden bijenkorven in de perken, overal bloeiden sneeuwklokjes en de knoppen van de kastanjestruiken liepen roodbruin en kleverig uit. Bijna dertig jaar later steek ik het bruggetje dat naar de toegang leidt weer over.

In het congiërcehuisje staat een hoog tafeltje met de daarop een vaas met bloemen. Op de trappen voor de aula staan rijen geraniums met een enkele blauwe lobelia ertussen. Bij de tuinvrouw die net op haar fiets stapt, informeer ik of ze de geraniums heeft overgehouden, maar nee, dat blijkt niet het geval. Tegenwoordig zijn ze allemaal opgekweekt. Er bloeien margrieten, egelantieren, boterbloemen, de buxushagen zijn geschoren.

Een tikje keurig allemaal, maar het blijft een wonder, Huis Te Vraag. Mijn grootvader die dat ook deed, kocht er altijd zes, spatjes, zodat hij altijd dronken thuis kwam.

Vaak bracht hij ook een hondje mee uit het café. Ik nam er altijd een. Bij de Schouw, bij Westers of de Muizenval. Ze hadden ook een drietafeltjesterras, vier tafeltjes mocht niet van een wethouder die later Tolpoort bleek te heten en die alle bruggen van de stad haringkar- en bloemenstalvrij wilde maken.

Vanaf het drietafeltjesterras keek je de Bilderdijkstraat uit en zag je het water van de Jacob van Lennepkade onder de brug verdwijnen, de brug die nu één groot­ ­terras is.

Ik stond in de Gerard Terborgstraat mijn fiets van het slot te halen toen ik werd aangesproken door de mannelijke helft van een echtpaar.

Met de 12 bent u er zo. Ze droegen allebei wandelschoenen zag ik. Ik had even een tekeningetje voor ze moeten maken, dacht ik nadat ze hun weg hadden vervolgd. Wegvragers zijn inderdaad zeldzaam geworden, maar ze zijn er nog, echtparen op wandelschoenen, Japanse meisjes die met de tram naar de Heineken Experience willen, Oost-Europese mannen op de Dam die de Wallen niet kunnen vinden. Misschien moeten we ons eerder afvragen wie de weg nog weet. Ik moest eens in de George Gershwin­laan zijn, in Buitenveldert.

Ik wist ongeveer waar die was, bij de De Boelenlaan, en ik wist dat ik vlakbij was, maar ik kon hem niet vinden, en wie ik het ook vroeg, geen mens wist waar hij was. Toen ik het gebouw waar ik moest zijn eindelijk gevonden had, had ik geen idee hoe ik er binnen moest komen. Een deur is open of een deur is dicht. Het is de ­titel van een stuk van ­Alfred de Musset, en een uitspraak waarover ik nog lang niet ben uitgedacht. Altijd komt ie weer langs en altijd is ie in al zijn helderheid even mysterieus.

En nu las ik dat er huizen bestaan zonder deur, zonder voordeur wel te verstaan, over de situatie binnen werd, meen ik, geen uitsluitsel gegeven. Geen deur, dat is nog eens iets anders dan een touwtje door de brievenbus. Of een deur die altijd aan staat. Of niet op slot zit. Ik weet er een in een huis in Zuid Frankrijk, waar ik graag kom, onder meer door die deur­loze wc, want het heeft wel wat om op een wc niet tegen een deur te hoeven aankijken.

In The Sopranos zit Johnny Sack op een deurloze wc te kakken en een sigaret te roken, terwijl hij in gesprek is met Tony Soprano en zijn adjudanten. Niemand lijkt er van op te kijken. Mijn geliefde vertelt graag dat toen ze voor de eerste keer bij mijn ouders thuis kwam, mijn moeder met open deur op de wc zat. Dat is bijna een halve eeuw geleden en een open deur is nog wel even iets anders dan geen deur, maar ze is het niet vergeten.

In het huis waar ik ben geboren, zaten twaalf deuren, heb ik uitgerekend, kastdeuren meegerekend. Die deuren zaten allemaal dicht, op de deur naar de huiskamer en de deur naar de keuken na.

In het begin van de jaren vijftig heeft mijn vader al die deuren een voor een in een andere pastelkleur geschilderd. Toen wij kwamen wonen, waar we wonen, was de route van de 24 net verlegd. Bij het Roelof Hartplein ging hij niet langer rechtsaf richting Ceintuurbaan, maar linksaf richting Gabriël Metsustraat.

Dat duurde tot de 24 plotseling verdween. Maar zie, na een jaartje of twintig tijdelijke werkzaamheden ging de Ferdinand Bol weer open en keerde de 24 terug op zijn oude route. Bij mijn eerste ritje voelde ik me toerist in eigen stad. Wat een opwinding, rechtsaf de Roelof Hartstaat in, geweldig, linksaf naar de Ferdinand Bol, nog mooier! Pas bij de Albert Kwiep kwam het hart tot rust.

Ik wou naar het Stadsarchief, maar de halte bleek opgeheven, en dus stond ik ineens op de Munt. Ik liep terug door de Carlton-galerij toen mijn aandacht werd getrokken door een A4-tje met de foto van een poes: King hem terug wilde hebben, maakte me blij.

Een tijdje terug at ik een stukje bij een restaurant waar een poes rondliep die ons werd voorgesteld als Máxima, de koningin van het restaurant. Maar toen Máxima even later door een enorme hond gegrepen werd en we de dierenambulance moesten laten komen die een bijdrage in de kosten vroeg, kende het restaurant zijn koningin niet meer.

Gelukkig kon de zwaargehavende poes na een inzameling worden opgelapt en vond zij als Bikkel een nieuw baasje, ver van dat akelige restaurant. King ga ik binnenkort eens eten. Ik ging het IJsbaanpad af en was het sluisje in de Schinkel overgestoken toen ik ter hoogte van de Pilotenstraat de roep van de koekoek hoorde. In de verte, want de koekoek roept ­altijd in de verte. De stad zit vol vossen, bevers, bunzings, ooievaars, allemaal dieren die je vroeger nooit zag, maar de mussen zijn er van tussen en de koekoek zwijgt als het graf.

Vandaag is alles anders zou ik bijna zeggen. Als kind zat ik vaak op een zeilboot. Die boot lag tussen twee steigers die je bereikte door een lang pad af te lopen dat tussen allerlei houten loodsen door meanderde.

Op de zeilboot tussen zijn twee steigers was het altijd doodstil. En plotseling kwam dan over het water de roep van de koekoek. Enkele jaren geleden begon het me plotseling op te vallen dat ik steeds meer jonge Aziatische vrouwen van kleur over melkwitte kinderen zag moederen. Ze duwden ze voort in karretjes, speelden met ze in het park en fietsten met ze in de bakfiets.

Ik vond het opmerkelijk dat deze vrouwen zulke witte kinderen hadden. Ik heb nogal wat witte vrouwen gekend die kinderen hadden met Chinese mannen en die kinderen hadden allemaal iets Chinees meegekregen. Maar misschien was het omgekeerd wel omgekeerd, bedacht ik. Totdat iemand me vertelde dat de vrouwen niet de moeders ­waren van de kinderen, maar hun oppassen. Ik heb, denk ik, een beetje de neiging raadsels te creëren, ook waar ze niet zijn.

Karel van het Reve heeft eens een stuk geschreven, waarin hij ­iemand opvoert die op Sicilië binnen tien minuten drie keer ­iemand tegenkomt die maar een been heeft en daaruit afleidt dat er in Syracuse bovengemiddeld veel mensen met een been rondlopen. Ik ben die iemand, iemand bovendien die ook nog eens aan het piekeren slaat over de vraag hoe het komt dat er zo veel eenbeners zijn in Syracuse.

Ik fietste langs de nieuwe kunstroute op de Apollolaan die net als de vorige uit de koker komt van Rudi Fuchs, een met een hoger ­niveau dus en een prijskaartje, toen ik drie keer achter elkaar werd ingehaald door jongens die een andere jongen op hun bagagedrager hadden staan. Wat is dit, dacht ik.

Een trend, een nieuwe rage, een club? Ondertussen keek ik naar de beelden op de route en voelde heimwee naar de Tinguely, de gouden schildpad en het vliegtuigje van Joost Conijn uit de tijd dat de beeldenroute het nog zonder hoger niveau en prijskaartje stellen moest.

Stilte is een zegen. Waar wij wonen is het stil. Wel hoor je af en toe geluiden. Geluiden die ik niet kan thuis brengen, vind ik het leukst. Boven ons wordt iets over de grond geschoven, tenminste zo klinkt het, maar wat? Het zal toch niet. Niemand schuift toch een paar keer per week een bank over de vloer?

Dat doe ik door de filter met een klap tegen de rand van de prullenbak te slaan. Ik heb het haar nog nooit gevraagd. Het duurde lang voordat de koffiepot door pruttelen aangaf dat de koffie klaar was, zo lang dat mijn geliefde vroeg of ik misschien vergeten was water in het reservoir te doen.

Waarop ik haar eraan herinnerde dat ze een keer chili con carne zonder carne had gemaakt, wat uitstekend smaakte overigens. Op gehaktdag maakte mijn moeder macaroni met ham en kaas, een uitheems gerecht in die ­dagen.

Op een keer liet de kaas zich maar moeilijk kauwen. Wat kwam, zoals we na een tijdje ontdekten, doordat mijn moeder de papiertjes tussen de plakjes kaas had meegekookt. Als je Gerard Kornelis van het Reve opbelde, vertelde R. Van het Reve had net zijn Brief uit Edinburgh gepubliceerd en veranderde in razende vaart van de ambachtsman die probeert het Engels onder de knie te krijgen of de wetten van het toneel te doorgronden in de geestige provocateur die hij altijd al was, maar die hij tot dan buiten zijn werk had gehouden.

Maar er is nooit opgeroepen tot een boycot van Reve die in zijn voor- en achternaam veranderde , schreef Wouter van Oorschot ­onlangs in verband met de damesoproep tot boycot van een stijlloze website.

Een ketting kan lang zijn. Omdat we het over vroeger hadden, vertelde Hans een mop die hij van Genna Sosonko had gehoord. De mop ging zo: Het stoplicht bij het Concertgebouw stond op groen, dus ik­ ­begon aan de oversteek, maar bus bleek aan dat stoplicht geen boodschap te hebben en sloeg ­resoluut rechtsaf de Lairessestraat in. Op mijn rijwiel maakte ik een snelle schatting waaruit ik ­afleidde dat ik onder de achterwielen van de bus geplet zou worden.

Om dit te voorkomen, kneep ik in mijn remmen, waarna ik over mijn stuur heenvloog en als door een wonder een redelijk zachte landing maakte tegen twee dames die zojuist het Concertgebouw hadden verlaten. Toen ik thuis de gehavende ­Lucebert-catalogus opensloeg, was het eerste wat ik zag zijn tekening Gevallen fietser uit Van huis fietste ik op een andere fiets naar een afspraak die me vertelde over een vriend, een oude man met wie het niet goed ging en die niet goed meer wist wie hij was.

In een moment van helderheid had de oude man hem gevraagd, wat hij in zijn leven eigenlijk gedaan had. En van goede wijn.

Op weg naar ramsjwinkel Steven Sterk kwam ik langs Shoebaloo in de Leidsestraat, de schoenenwinkel waar in de ­jaren zestig mijn toenmalige vriendin haar schoenen kocht. De winkel heette toen nog geen Shoebaloo, ze zagen je aankomen, maar De Lange meen ik. Net wat ik zei. Die zoals altijd, zoals ik wist, een maat te klein ­waren. Bij haar dood liet ze kasten vol te klein gekochte schoenen achter.

Steven Sterk had geadverteerd met Leven met Reve: Sinds haar dagboeken wil ik alles van ­Michaelis. Maar eenmaal ter plaatse bleek Steven Sterk op­geheven en te huur. Van alle hooggeplaatsten in mijn vriendenkring, voorzitters, dijkgraven, eindredacteuren, is de Groot Moefti wel de hoogstgeplaatste. De Groot Moefti is Groot Moefti van Amsterdam Noord en tevens onder het pseudoniem Jan Donkers schrijver van het standaardwerk over Amsterdam Noord, Zo dicht bij Amsterdam, een boek dat om de paar jaar met een nieuw hoofdstuk uitgebreid, herdrukt wordt.

Ook vermeldenswaardig is dat de Groot Moefti, die jarenlang ­gedreigd heeft het Centraal Station middels een bomgordel tot ontploffing te brengen, sinds een ritje door het fietstunneltje onder het CS geheel om is. Enkele weken geleden leidde de GM een paar Amerikanen door de stad. Op de pont over het IJ wees hij hen op het Eye gebouw, wat ze prachtig vonden en daarna zei hij: Dat kon niet waar zijn, die dooie huizenblokken, Koolhaas, nee, de Moefti maakte een grapje zeker?

Na raadpleging van Google raakten ze in een architectonische depressie die tot in de kleine uurtjes duurde. Hoe anders was mijn­ ­reactie toen ik een paar jaar geleden ontdekte dat het Frans Otten Stadion dat uitkijkt op onze tennisactiviteiten van Rem Koolhaas is. Ik had het altijd een tamelijk lelijk gebouw gevonden, een ongeïnspireerde doos met lelijke betonnen uitlopers, maar ineens zag ik de schoonheid van het gebouw, hoe het landschap zich voegde naar de kracht van de architectuur, hoe alles samenvloeide en het geheel oneindig veel meer werd dan de som der delen.

Met een huis vol kinderen keken we tijdens de dodenherdenking naar de twee minuten stilte. Vreemd, dacht ik, kijken naar de stilte. Stilte is toch onzichtbaar, net als de tijd, de wind, de snelheid van het licht. Max Pam schreef dat de twee ­minuten stilte van de dodenherdenking vroeger werden aangekondigd doordat de straatlantarens gingen branden. Dat was ik vergeten, maar zo was het. Iedereen stond voor het raam of op het balkon op het teken te wachten. En dan werd het stil. Toen al ­keken we naar de stilte.

Wat ik niet vergeten ben, was de merelzang die je hoorde. Merels klonken nooit helderder en melodieuzer dan tijdens die twee minuten stilte. Wat ik weer wel vergeten was, is dat je vroeger af en toe nieuwe veters in je schoenen deed. En dat mensen een stukje gingen eten: Een glaasje drinken, hoor je nog wel. Ik doe dat als eerbetoon aan de in overleden dichter Jan Hanlo die ik de jaren voor zijn dood ­regelmatig heb ontmoet.

Hanlo was een wonderlijke man. Hij hield van motorfietsen, Vincents, kon op rijm middeleeuws spreken en droeg op feestjes vaak een gasmasker. Tijdens de Wereldtentoonstelling bij de moderne boekwinkel Bas in de Leidsestraat, in meen ik, waar de wereld tentoon werd gesteld, hield Hanlo een toespraakje, waarin hij een boekje liet zien dat bij de tentoonstelling was verschenen.

Maar hij liet het boekje niet alleen zien, hij zei het ook. Van het papier waarop zijn toespraak stond geschreven, las hij voor wat hij deed: Twee meisjes stonden er giechelend een selfie te maken. Maar Paul de Leeuw was de man niet, dus waarom maakte hij een selfie? Ineens wist ik het. Tevreden fietste ik door naar de kapper, waar alle stoelen bezet waren.

Toen de vrouw die voor mij was aan de beurt was, bleek ik aan de beurt. Zij was hier om haar zoon bij te staan. Ik nam plaats in de stoel van Alies uit Almelo die tijdens het knippen vaak zo gezellig met me praat.

Alies keek me even onderzoekend aan en vervolgde toen haar gesprek met de moeder die haar zoon bijstond. En dat het zo kort geknipt is, komt natuurlijk doordat je de kapster niks gezegd hebt. Maar het staat je goed. Op straat kwam ik Hanneke Groenteman tegen aan wie ik mijn verhaal vertelde.

De enkele keer dat ik vroeg de deur uitga, verbaas ik me altijd over de activiteiten die al gaande zijn. De fietspaden zijn vol fietsers, de bakkers in hun ­witte werkkleding pauzeren voor de bakkerij met een beker koffie en een broodje, kappers knippen en de bloemenwinkel die tevens een galerie is met aan zijn wanden bloemstillevens en stadsgezichten, heeft de bloemen buiten gezet.

Of je in een parallel universum terecht bent gekomen. Ik zit in de tram en kijk naar de jonge vrouw aan de andere kant van het gangpad. Ze draagt een uniform met daaronder schoenen die zo glimmend zijn gepoetst als alleen uniformdragers schoenen poetsen kunnen.

Ze ziet eruit ­zoals ik me in de vroege morgen vaak voelde, vroeger. Dit als gevolg van de voorbije nacht, waarin het ene glas het andere uithaalde en het ene café als vanzelfsprekend naar het volgende had ­geleid. Ik hield van de stilte die voorafging aan het moment dat het ­leven in de stad hervat werd. De plotselinge vuilniswagen, een rolluik dat rammelend omhoog ging, de zon die door de wolken brak en de overkapping van het Centraal Station verlichtte.

De jonge vrouw had een vreselijke kater. Hij stond haar goed en ze had nog de hele dag om ermee te leren leven. Toen ik die avond met de laatste tram naar huis reed, zaten er naast mij twee jongetjes die allebei een klein voorwerp in hun hand hielden, een soort rad, dat ze konden laten draaien en dat dan strepen licht liet zien.

Met enige regelmaat begin ik kleine verzamelingen. Zo spaar ik sinds een jaar of twee platgereden en bij voorkeur roestige kroonkurken van bierflesjes. Ik heb ze van Amstel en Heineken, van Jupiler, Texels, Grolsch, Argus en van merken die ik door de roest niet kan ontcijferen. Het aardige van de verzameling is dat hij de blik omlaag dwingt, waar zoals je al snel merkt veel te zien is.

De schoonheid van putdeksels is vaak bezongen, maar het is toch anders als je ze in hun natuurlijke omgeving bekijkt in plaats van op een foto. Je vindt spijkers en schroeven en af en toe een platgewalste kroonkurk voor de verzameling, heerlijk ogenblik. Naast kroonkurken verzamel ik naamloze pleintjes. Wat niet eenvoudig is, want wat precies is een pleintje en wanneer is het naamloos?

De straat die je van de J. Coenenstraat naar de Harmoniehof voert, brengt je bij een piepklein en driehoekig parkje, waar het voor jeugdige geliefden goed toeven is. Vanaf het bankje dat zij vrijwel permanent bezet houden, kijk je op een alleraardigst pleintje. Straat, parkje en pleintje heten Harmoniehof wat volgens mij een beetje veel van het goede is, maar of het pleintje in mijn verzameling hoort, ik ben er nog niet uit. De foto van de haringkar op het Haarlemmerplein die in de haringkar hangt, is een mooi, maar niet helemaal juist voorbeeld.

De foto van de Gerard Doustraat gezien vanaf de hoek van de Ruysdaelkade , waar rock- en bluesgitarenwinkel de Plug zetelt, is niet mooier maar wel een beter voorbeeld.

Hij hangt op 8b in de etalage. Ze zijn terug, ze zijn terug. Ze scheren weer over de daken en jagen weer hoog door de straten, ze snijden door de lucht en schreeuwen, maar het is niet hun naam. Dit is het moment om in een niet al te goed opgeknapte negentiende eeuwse buurt, in Pijp, Kinkerbuurt of Helmerskwartier een beetje slordige straat op te zoeken en daar een goede uitkijkpost te kiezen om vanaf de grond het schouwspel in den hoge in de ­gaten te houden.

Negenduizend kilometer gevlogen om terug te keren op een nest in de Nicolaas Beetsstraat of het Bellamypleintje, een paar dagen bijkomen en dan weer aan de slag. Want er moeten eieren worden ­gelegd en uitgebroed en jongen grootgebracht. In de negentien uur per dag dat er gevlogen wordt, moeten honderdduizenden insecten gevangen worden.

De gierzwaluwen vliegt in groepen, en binnen de groep in paartjes, die elkaar in duettoon beschreeuwen, een heerlijk geluid, dat net zo bij de stad hoort als het bellen van de tram. Gierzwaluwen lijken altijd ver weg. Zelfs als ik op vier hoog op mijn balkonnetje in de Bosboom Toussaintstraat stond, leken de gierzwaluwen ver bij me vandaan. En als er een vlak langs me vloog, deed hij dat zo snel dat ik hem niet beter zag dan vanuit de verte. Tijdens een dodenherdenking op de Apollolaan zag ik eens een gierzwaluw uit de lucht vallen.

Gierzwaluw op de stoep, vlak voor mijn voeten. Maar toen ik hem wilde pakken, vloog hij op en landde in een boom. De Franse dichter René Char schreef een gedicht over de gierzwaluw dat zo begint: Iedere keer als ik de stad in ga, lijkt het drukker geworden. Meer en grotere groepen worden rondgeleid door gidsen met steeds langere stokken waaraan grote vlaggen wapperen, steeds meer jongelui stuntelen op gehuurde fietsen over de fietspaden, waarop steeds meer mensen maar een potje raak lopen.

Mijn ogen zitten van voren en van ­achteren, bellen helpt niet en je hebt al je stuurmanskunst nodig om zonder schade aan fiets of toerist door de menigte heen te manoeuvreren. Jelka was knap, brutaal en zat op hockey. Toen we van school waren, heb ik haar nog twee keer gezien. De eerste keer was ze op weg naar ­Jeruzalem waar ze iets ging doceren.

De tweede keer was in café het Hooischip aan de Amstel. Ze ­herkende me aan mijn stem. Ik herkende haar omdat ze mij ­herkende. Tijdens de meivakantie hebben we in wisselende samenstellingen steeds een stuk of drie, vier kinderen over de vloer gehad, jongens en meisjes, zo tussen de zes en de twaalf.

Om de een of ­andere reden dacht ik dat kinderen vandaag de dag de hele dag op hun telefoon zaten te kijken en nauwelijks een woord met elkaar wisselden, maar niets bleek minder waar. Ze zaten gewoon urenlang te monopoliën of te hartenjagen en over de spelletjes te hakkentakken, heel herkenbaar allemaal. Af en toe kwam een moeder er een halen of brengen en dan hoorde je nog eens wat, want, dat moet gezegd, over hun privéleven ­waren de kinderen niet erg mededeelzaam.

De moeder van Manuel 11 vertelde over hun verhuizing van de Jordaan naar Nieuwendam en over de eerste keer dat ze haar zoon na de verhuizing van school kwam halen, zijn oude school in de Jordaan. Maar al wie er uit school kwam, geen Manuel, en bellen kon ze hem niet, want hij had geen telefoon. Dodelijk ongerust was ze tenslotte naar huis gereden. Waar Manuel al op haar zat te wachten. Hij kent zijn stad, Manuel, zelfs de stukken waar hij nooit geweest is. De moeder van Nathan 6 vertelde dat haar zoon plannen had om een brug over de Atlantische Oceaan te bouwen, van Zeeland naar New York.

Geen geringe ­ambitie voor een zesjarige. Hij had al becijferd hoelang het rijden was en hoeveel hotels er komen moesten onderweg. Intussen was er een einde gekomen aan een potje ­Monopoly en Rana zei: Om mijn geliefde te verrassen had ik op de Haarlemmerdijk een piepkleine gouache ­gekocht van Jaap Hillenius, de schilder die in , op de Willemsparkweg meen ik me te herinneren, tragisch aan zijn eind kwam toen hij werd overreden door een tram.

De gouache toont blije vlekken die half doorzichtig over elkaar heen schuiven en zo de lente zichtbaar maken. Terwijl mijn aankoopje werd ­ingepakt, raakte ik aan de praat met een schilderes die mooie kippenschilderijtjes maakt. Er was ook een boek van, zei ze, en dat boek liet ze me zien. Toen ik het doorbladerde, werd mijn aandacht ­getrokken door een schilderij van een onderzeeër. Als miljonair had hij toen het goede voorbeeld kunnen geven door een eerste ton beschikbaar te stellen, maar ja, hoe word je miljonair?

Door zuinig te zijn. En zuinig was hij, de columnist, zo zuinig dat Heineken hem een keer had opgevoerd in een advertentie, waarin gesteld werd dat hun bier nu zo lekker was, dat zelfs de ­columnist in kwestie wel een rondje geven zou, maar… Op dat moment viel de schilderes me in de reden en zei dat Maarten van Rossem niet de onderzeeër, maar haar schilderijtje had gekocht.

Jammer voor de onderzeeër, leuk voor het schilderij. Om de een of andere reden bleek ze die lach nog niet te hebben. Enige tijd geleden stond de postbode op de stoep met een doos die negentien deeltjes Bulletje en Bonestaak bleek te bevatten. Ik ben altijd gek op Bulletje en Bonestaak geweest. Ik houd van de droge precisie van de tekst van A.

Wat mij ook bevalt, is dat avonturen nog niet afgelopen zijn als ze afgebroken worden en ieder nieuw avontuur dus op een volstrekt willekeurige plaats lijkt te beginnen. Het mooiste avontuur vond ik in boekje negen, waarin Bulletje en Bonestaak op een onbewoond ­eiland zijn beland en kennis hebben aan de menseneter Dinsdag, die niet alleen op verbazingwekkende wijze lijkt op Oude Hein maar net als Oude Hein verbazingwekkende verhalen kan vertellen. Ik herinnerde me het avontuur vrijwel plaatje voor plaatje.

Wat ik me afvraag: Als je naar een tennistoernooi gaat, weet je wie je gaat tegenkomen, maar toch blijft het vreemd als je op de Valentijnkade, waar je nooit eerder bent geweest, ineens allemaal bekenden ziet.

Hé, daar komt Maarten Moll aan gefietst, en daar zal je Henk Spaan hebben, terwijl Janneke van der Horst ­binnen blijkt te zitten.

Is het een Parool-toernooi misschien? Nee, het is een toernooi van Propria Cures, u weet wel, het studentenblad sinds In de tijd dat ik redacteur van Propria Cures was, werd er niet aan tennistoernooien gedaan. Als de redactievergadering in het fietsenhok van Drukkerij Van Campen erop zat, liepen wij rechtstreeks naar het koffiehuis naast het stadhuis en gingen aan het bier, om een uurtje later in de speelhal op de hoek van de Oudezijds en de Damstraat te belanden.

Onze favoriet daar was de Gator, een flipperkast waarop heroïsche duels zijn uitgevochten. Mensje van Keulen stond haar mannetje, Tim Krabbé was denk ik de beste, Koen Koch de stilist en Peter Hagtingius zou later nog wereldkampioen worden.

En nu tennissen we dus en Maarten Moll werd kampioen. Op de terugweg belandden mijn geliefde en ik in Café Koosje waar we ons ouderwets bezondigden aan bier en wijn en bitterballen. Een tijdje later, op de tramhalte, stapten we tegelijk in met een dame die een peddel bij zich had.

Ik liep eens met mijn racket onder mijn arm over de Oudezijds Achter, toen een donkere schone die voor haar kamertje te swingen stond mij wenkte. Theo die als kind Kleine Theo heette om hem te onderscheiden van zijn vader, Grote Theo, die door neefjes en nichtjes ome ­Dorus werd genoemd, kent Oost zoals ik West ken, op zijn duimpje. Hij weet precies waar een telefooncel heeft gestaan, of een transformatorhuisje of een stadsklok.

Op het Krugerplein stond een transformatorhuisje dat zich als pannenkoekenhuisje had vermomd. Ook was er een fontein. We waren op weg naar de straat waar zijn ome Bennie had gewoond, de oom met wie zijn vader een steenhouwerij had gedreven. Nadat we de Ringvaart waren overgestoken, belandden we in een stil straatje waar een man driftig zijn stoep stond te vegen. Voor zijn huisdeur stonden naast elkaar twee fietspompen, achter het raam zat een prachtige poes.

De twee fietspompen waren nodig om er een functionerende fietspomp van te maken en de poes had een hartkwaal.

Ook ons huis kent vele kamers. Zes om precies te zijn, de riante hal meegerekend. In deze hal hangt tussen tekeningen van Simon Vinkenoog en Remco ­Campert, schilderijtjes van Pam Emmerik en Han Bennink en een polaroid van Gerard Reve die zijn hoed opzet of juist afneemt, dat kun je op de foto niet zien, een zwart-witfoto waarop een volslanke vrouw in een witte jurk hand in hand met een man in een grijs pak van ons wegloopt.

Bezoekers vraag ik altijd of ze de vrouw herkennen en dat doen ze. De achterkant van Marilyn Monroe blijkt net zo herkenbaar als Marilyn Monroe van voren. Nu hebben velen van ons de achterkant van Marilyn Monroe wel eens gezien. In Niagara bijvoorbeeld wordt die achterkant uitgebreid in beeld gebracht, in volle werking.

Maar wie kan zeggen dat hij ­Samuel Beckett wel eens van achteren heeft gezien? Zoals je in de man met de tas en de regenjas die je vroeger wel door de stad zag scharrelen altijd Simon Carmiggelt herkende. Een tijdje terug fietste ik door de Vijzelstraat in de richting van de Munt toen ik aan de overkant een goede vriend langs het Stadsarchief zag lopen.

Hij ging dezelfde kant op als ik. Ik zag hem dus op de rug, maar dat hij het was, leed geen twijfel. Zoetendaal heeft het over openingen, poorten, sleuven, spleten, kieren, een veelzeggende opsomming die bedoeld lijkt om Breitners liefde voor stegen te verklaren. Maar misschien ook niet. Breitner hield van stegen, zoveel is duidelijk, zoals ik ook van stegen houd.

De smalle reep licht hoog boven je, de V van lucht aan de twee uiteinden van de steeg, de permanente schaduw, de altijd aanwezige geur van pis, het heeft iets, waardoor het misschien wel de stegen zijn die een stad tot een stad maken. In stegen valt altijd iets te beleven.

Je wordt er beroofd en hoeren oefenen er hun handwerk uit, er worden drugs gedeald, er wordt gepist, gespoten, gevreeën en ­gevochten en als je mazzel hebt, is er ergens halverwege een verscholen deur die toegang geeft tot een houten trap die naar de verdieping leidt waar een oude Indische dame in bontjas op haar troon eenmaal in de maand audiëntie verleent aan de Indische jongens uit de buurt.

Ze had magere handen en droeg ringen met grote stenen aan al haar dunne vingers. Ze had grote ronde ogen en rook naar de specerijenwinkel. Als de rituele begroeting met mijn vriend ten einde was, reikte ze mij haar smalle hand die ik voorzichtig drukte, waarna wij haar achterlieten op haar troon en de steeg uitliepen naar de Geldersekade om daar aan te leggen bij een klopcafé.

Altijd op een vrijdag, het hele weekend nog voor ons. Ik zat buiten, want hoewel de dag voorbij was, was het lekker weer. Toen ik naar binnen ging om iets te bestellen, stond er een oude man aan de bar die bezig was hem stevig te raken. Een moeder en dochter sloegen het met belangstelling gade. De dames vielen bijkans in katzwijm van verbazing. Brutaal geworden bogen ze zich vervolgens over zijn jeneverkelkje op de tap.

Nadat de man dat had bevestigd, zei ze dat ze dat niet hadden in het Zuiden. Ik had inmiddels mijn biertje gekregen en ging weer buiten zitten, waar de oude man die Willem bleek te heten zich niet veel later bij me voegde.

Ik schoot in de lach. Maar nu ga ik naar huis. Daar ben ik nog voor het eerst beroofd. Door de jongste zoon van de Tokkies. Van al mijn voetbalplaatjes. Mijn vriend de schaker, die geen schaakvriend is en met wie ik nog in de derde klas van de lagere school heb gezeten, de huidige groep 5 als ik me niet vergis, waar hij zich overigens niets van kan herinneren maar ik wel, vertelde me dat hij eens met een schaakofficial vanuit het Centrum naar West was gereisd, met de Kikker dus of met de Blauwe Tram, voor een schaakevenement dat plaatsgreep in het gebouw van de Wereldbibliotheek bijvoorbeeld of op het stadhuis van Sloterdijk, waar mijn ouders in de meidagen van ­getrouwd zijn, maar dit geheel terzijde.

Daar aangekomen had de official lacherig verteld dat hij vanuit de tram een winkel had waargenomen, die zich het Opklapbeddenpaleis noemde. Algemenen hilariteit onder het schaakvolk. Maar inderdaad, het valt niet te ontkennen, in de nabije omgeving van de Admiraal De Ruijterweg had je de Stoffenprinses, de Gaskoning en de Stofzuigerkoning ze zitten er nog , een Beddenpaleis en de ­Tapijtkeizer.

En in de Elegaststraat woonde bovendien de Sjah van Barbarber. Barbarber was een langwerpig tijdschrift, dat vanaf werd geredigeerd door K. Brands en Brands was de Sjah van Barbarber. Brands heeft op een velletje ­boterhampapier eens een tekening van Okkie Pepernoot overgetrokken, en dan schreef hij ook nog Het laatste kwatrijn: Een sjah, een koning, een keizer, een prins, een prinses en een paleis, wat is dat toch met de Admiraal De Ruijterweg?

Naast mij klonk het antwoord: In de Halvemaansteeg was ik wegens trek een dönerzaakje binnengelopen. Aan het ­tafeltje bij het raam zat een grote witte man een enorme kapsalon weg te werken.

Niet helemaal politiek correct leek me, maar het smaakte hem er niet minder om. Nadat ik mijn keus had gemaakt, wendde ik mijn blik naar de kast met gekoelde dranken. Alleen maar limonade, stelde ik vast. Nou ja, halal, niks aan te doen. Van de Halvemaansteeg liep ik over de Kloveniersburgwal naar de Nieuwmarkt, waar op de kermis het vijftiende en laatste door Geert van Tijn georganiseerde KroegKorenConcours plaatsvond. Dat jureren is een aangenaam karweitje. Je luistert naar vrolijk gezang en je kijkt af en toe naar Geert die onder zijn hoge hoed gelukkig zit te wezen, vlak voor je neus zie de leuke ­dames van het Zeedijkkoor welhaast ongemerkt van dame in hoer veranderen en intussen houdt Van Luyn alles bij om er een spitse prijs­uitreikingsconference over te houden.

Nadat we voor Geert met zijn ­allen Aan de Amsterdamse grachten hadden gezongen, kregen de juryleden de traditionele fles ­korenwijn. Door de buurt liep ik naar de tram naar huis. De meisjes in hun neonverlichte kamertjes ­hadden hun vingers in hun poes of ­keken op hun telefoon. En hopsa heisasa, want koude voeten, wintertenen, al dat kil en koud verdriet, heb je in de meimaand niet.

Dat hield in dat de kinderen in de klas die lid waren van de AJC vrij kregen om in optocht door de straten te lopen, waarbij ze op trommels sloegen en rode vlaggen mee droegen.

Hoewel ie van de toffelemonen was, vond ik hun optocht van die met broodjes en sinaasappels ­opgetuigde stokken toch leuker. Net als mijn moeder, die als kind bij de padvinderij wou, wat natuurlijk niet mocht, stel je voor, een kind uit een keurig SDAP gezin bij de padvinderij! Uiteindelijk heeft ze even bij de Rode Valken of zoiets gezeten. Heel even maar, want toen ze zestien was, ontmoette ze mijn vader en met hem ging ze lekker kanoën.

Het gekke is dat ik tegenwoordig gek ben op de AJC en uit dien hoofde een trouw lezer ben van Het gele blaadje, een blad van en voor oud AJC-ers van Nederland. In het zojuist verschenen 1 mei-nummer staat een verhaal van ­René de Cocq die er samen met een vriend in slaagt een 78 toerenplaat van Little Richards Tutti Frutti bij volksdansles binnen te smokkelen.

Toen de volksdanslerares even weg was, legden ze de plaat op de Trio-Track en: Als door een wesp gestoken vloog Jos de gymzaal in, wit van drift, sissend: Zijn jullie nou helemaal gek geworden. De winkel die beloofd had om tien uur open te zijn en waar ik om ik om tien uur voor de deur stond, bleek nog gesloten.

Waarop ik tot een kleine wandeling besloot die mij na enkele stappen al voor de etalage van een postzegelwinkel bracht. In deze etalage vallen behalve postzegels vaak kleine zilveren voorwerpen te bewonderen als snuifdozen, ­sigarettenkokers, roomkannetjes.

Deze keer stond er een niet onaardig peper en zoutstel. Wat er ook stond, was een bakje vol priegelige muntjes. Vier keer geluk voor een tientje, een aanbod dat je niet kunt weigeren.

Groot geluk doorstroomde mij toen ik even later met mijn vier halve centen weer buiten stond, want daar, op het fietspad fietste een leuke jonge vrouw voorbij die in een hand een grote tak bloeiende perenbloesem meevoerde. Fluitend liep ik naar het dichtstbijzijnde boekenkastje, waar het Schrijversprentenboek Jacobus van Looy al op mij te wachten lag.

Thuis bekeek ik de plaatjes en ik las deze uit daterende tekst van Van Looy: En plotseling, met die stem eens dichters die de woorden zo lief heeft, zei hij: In de Spiegelstraat gaat het snel bergafwaarts. Was het tot voor kort een straat vol mooie antiekwinkels en ­galerieën, nu worden er hamburgers verkocht en namaakkunst in ­namaak gouden lijsten. In de etalage van de buurman staat een enorme afdruk van de ­foto waarop Sophia Loren tijdens een etentje schuins in het decolleté van Jayne Mansfield zit te ­loeren.

Ik word altijd vrolijk als ik de foto zie en ik ben niet de enige. De ene toerist na de andere houdt de pas in om zich breed grijnzend voor de foto te laten fotograferen, waarna ze hun weg vervolgen.

Ik voeg me in de stroom, en loop mee in de richting van het Rijksmuseum. In de passage onder het museum klinkt een strijkkwartet. Een man blaast op een saxofoon, maar Sonny Rollins is hij niet. Aan de andere kant wachten de letters die tezamen Iamsterdam vormen en om de een of andere reden zijn uitgegroeid tot een van de grote attracties van de stad.

Terwijl ik het plein oversteek, denk ik aan de keer dat het ­gerucht door de stad ging dat de duizenden narcissen op het plein geplukt mochten worden. Wat toen ook gebeurde. In drie tellen was het hele grasveld kaal. In de Van Baerlestraat ga ik naar binnen bij boekhandel Premsela, sinds een maand failliet.

Ik ga nog in zaken op mijn oude dag. Ik houd van de geur van ­gravelbanen in de morgen. De tennisbanen van mijn jeugd lagen aan de Zuidelijke Wandelweg. Vanuit de Bos en Lommer was dat een heel eind fietsen. Eerst de eindeloze Hoofdweg af, waar de zon altijd leek te schijnen, dan om het Surinameplein heen en de Overtoomse Sluis over.

Aan de andere kant van het ­water stond een kerk, die later plaats moest maken voor Autopon, dat in Volkswagens deed. Een eindje verder op de Amstelveenseweg was een manege waar het op woensdagmiddag druk was met paarden en kinderen.

Als mijn moeder me bracht, en dat deed ze in het begin, vroeg ze altijd of ik niet op paardrijden zou willen. Dat wilde ik niet.

Lijken die kinderen je niet leuk? Tenniskinderen waren al erg genoeg. Ze vroegen je wel waar je woonde, maar als jij zei dat de Esmoreitstraat in west was, hadden ze meteen geen belangstelling meer. Toen ik alleen naar de tennisbaan mocht, ging ik, als ik niet naar school hoefde, vaak vroeg in de ochtend.

Het was dan stil op de Wandelweg. De voetbalvelden ­lagen er verlaten bij, maar op de tennisparken werd altijd ­gespeeld. Op het pad dat door het struikgewas naar ons clubhuis liep, hoorde ik het zachte geplof van de ballen en kikkergekwaak daar doorheen.

Op weg naar hun boerensloot. Ik liep langs de Artis en al ­lopend keek ik naar de mensen die door de Artis liepen. Ze hadden hun ronde ­gemaakt, van de apen, naar de leeuwen, langs de olifanten en ­giraffen, naar de zeeleeuwen en de pinguïns, en nu waren ze, hoewel ze nog lekker door de Artis liepen, op weg naar de uitgang. Naast me zat een man op zijn fiets. Naar de ­Plantage waar je naar de lepelaars kunt ­kijken. De meeste lepelaars stonden op hun eiland op een kluitje bij elkaar.

Een stuk of drie zaten te broeden op een door mensenhanden gemaakt nest in een knotwilg. Drie anderen liepen te snavelen in het ondiepe water dat hun eiland omringt.

Behalve lepelaars liepen er kemphanen, patrijzen, een ­kievit, een paar kluten, twee ooievaars. Aan mijn kant van het hek was een fontein die op gezette tijden water spoot.

Ik heb een tijd staan kijken en liep toen zonder om te kijken weg. Als je de Artis binnenkomt, ­herinnerde ik me, bekijk je ieder dier en alleen al de aanblik van olifanten in de verte vervult je van ­opwinding. Als je niet de ronde maakt, maar dezelfde weg terugneemt, keur je dezelfde olifanten geen blik waardig. Door de Roeterstraat liep ik naar de Sarphatistraat en daar, vlak voor de hoek met de Weesperstraat zag ik vijf struikelstenen ­oplichten in de zon. Vermoord maar niet vergeten.

In de herfst van anderhalf jaar geleden liep ik langs de Amstel en de Hermitage. Na een korte aarzeling, ik durf het haast niet te zeggen, maar ik heb het niet zo op de Hermitage met al dat tsarengedoe en hun ­eieren van Fabergé, ging ik de poort door en betrad de binnenplaats. Waar het stil was en twee grote kastanjes stonden. Op het gras lagen ze bij tientallen en ik vulde mijn zakken. Een al wat oudere dame zag het glimlachend aan en raapte er ook een op. Wat ik me afvraag, is of ze mijn advies heeft opgevolgd.

De meeste mensen houden niet zo van ­advies. Ik ken iemand die ik ruim vijfenveertig jaar geleden mijn ­lievelingsboek heb gegeven. Dat ze nog steeds niet heeft gelezen. Zoals ik zelf jarenlang het advies van Karel van het Reve om Sanders of the river van Edgar Wallace te lezen in de wind heb geslagen.

Volkomen ten onrechte, want toen ik het eindelijk las, bleek het een meesterwerk, schandelijk, maar een meesterwerk. Als de dame mijn kastanjeadvies heeft opgevolgd, kijkt ze nu, net als ik, naar het wonder van een ontluikende kastanjeboom. Had ze vorig jaar in haar virtuele bloempot nog een slap rood stengeltje, waar een kleine groene kroon op groeide, nu is er een stam en het glimmende bruin van de vette volle knop is opengebarsten om een bleke sigaar te onthullen die zich langzaam ontrolt tot generfde bladeren die teergroen hangen en dan als kleine ­parapluutjes worden opgestoken.

Geen groen zo groen als jong kastanjegroen. Als vrienden weet je vaak opmerkelijk weinig van elkaar. Je ziet elkaar ­iedere week, al ik weet niet hoe lang, je gaat wel eens ­samen uit eten en vijftig jaar geleden of daar omtrent ben je zelfs een keer met zijn vieren op vakantie geweest.

Als je je een beetje ­verveelt, zeg je: Maar hoe zij elkaar hebben leren kennen, weet ik niet. Nooit naar gevraagd, terwijl de manier waarop geliefden elkaar ontmoeten ­altijd een verhaal is, zie het vers No, No, Nanette van K.

Of ze de Koper Nikusstraat kende en de Watte Au, vroeg ik haar per kerende post. Sinds ik in een parkeergarage een keer met een boksbeugel ben bedreigd door een filmregisseur, wie het was, zeg ik niet, maar hij heette Lars von Trier, kom ik niet graag in parkeergarages.

Maar ik zie ze graag. Als ik tussen Elandsgracht en Kinkerstraat de Kinkerbrug oversteek, kijk ik altijd met veel plezier naar de stralende slingeringen van de parkeergarage aan de Singelgracht, prachtig! Niet veel later stuitte ik op Kippenfarm Rondeel, waarvandaan een pad liep naar het Orion College, speciaal in onderwijs.

Grenzen in de stad, ze komen in soorten en maten, taalgrenzen, kleurgrenzen, inkomensgrenzen, spoordijken, geluidswallen, snelwegen, vaarten, en bouwputten dus.

Onlangs stak ik bij de Transvaalkade de brug over naar de ­Watergraafsmeer. Ik wist niet wat ik zag, zoveel lager als de Watergraafsmeer ligt dan de rest van de stad. Het hoogteverschil is zo groot dat je een trap moet nemen om beneden te komen. Vanuit de diepte keek ik naar de Ringvaart hoog boven me. Ik kon het niet ­geloven. Een straat is een straat is een straat. Geen speld tussen te krijgen, lijkt het, maar bij nadere ­beschouwing is het vaak ingewikkelder dan je dacht. Wat is bijvoorbeeld de naam van de straat in kwestie?

Het naambordje in deze voor elck wat wilsstraat spelt de naam aan de ene kant van de straat anders dan het naambordje aan de andere kant dat doet. En waarom heet het enorme plein voor het bakstenen fort van de Jeruzalemkerk Jan Mayen- of Jan Maijenstraat, terwijl het ­Krugerplein bijvoorbeeld overduidelijk een straat is? En dan heb je nog de vraag hoe wij een straat believen te noemen.

Als mijn moeder wilde dat ik naar de Bos en Lommerweg ging om bij Stam een ons Drosteflikken te ­kopen, zei ze: En de Nieuwezijds Voorburgwal heet de Nieuwezijds.

Het is heel raadselachtig allemaal. Maar een straat is een straat is een straat. Behalve als in je ­eigen straat de prunusbomen bloeien, aan de straatkant en in de binnentuin. Dan kan je bijvoorbeeld zien hoe een al wat oudere man op het bureau in zijn werkkamer klimt en de ramen opent om vervolgens met een schaar een tak van de prunus te knippen die hij dan in de huiskamer in een vaas zet, een kleine roze wolk tussen de wolken roze voor en achter het huis. De jonge vrouw die vaak nog een meisje was en in de tram vlak achter de bestuurder stond, was meestal een beetje bleek en dik en kwam soms wat moeilijk uit haar woorden.

De bestuurder van de tram had er nooit moeite mee. Hij luisterde, beantwoordde alle vragen en bestuurde ondertussen de tram. Je kon zien dat het niet de eerste keer was dat ze achter hem stond en dat er zekere intimiteit tussen de twee bestond.

Hij reisde met haar mee als de buffel met zijn witte reiger. Trambestuurders zijn wel wat gewend. Denk aan de mannen met hun fototoestellen die op alle kruispunten hun lange lenzen op de tram richten om alles voor alle eeuwigheid in al zijn details vast te leggen. Piloten in hun vliegtuig zien hun spotters niet, maar trambestuurders zijn zich er voortdurend van bewust dat ze in de gaten worden gehouden.

De jonge vrouw die of het meisje dat vlak achter hen staat, hoort daarbij. Hoorde daarbij moet ik zeggen. Want ik zie ze bijna niet meer, die jonge vrouwen of meisjes die niet zozeer met de tram als wel met de bestuurder mee reizen. Wel stond er van de week de mannelijke variant van het meisje dat achter de bestuurder stond achter de ­bestuurder.

Hij keek heel zelfbewust uit zijn ogen en blokkeerde het incheck-apparaat. Ik ben geen jongeman, kunt u niet zien, dat ik een man ben? In de Valeriusstraat begon een merel te zingen, zoals merels dat kunnen in april en mei.

Sprakeloos stond ik te luisteren toen de zang van een tweede merel klonk en de merels zo de stiltes in elkaar zang vulden met merelgezang. Ik dacht aan het eerste gedicht dat ik als gedicht heb ervaren, een gedicht van Jan Hanlo: In een vers over een prinses die in een toren op haar prins wacht, had ze soortgelijke problemen en toen schreef ze: Iedere woensdagmorgen om negen uur ging ik naar het huis van onze dochter om op onze kleindochter te passen.

Als mijn vrouw belde om te zeggen dat ze zich bij ons kwam voegen, zette ik de kleine in een wandelwagentje en liep met haar naar de tramhalte, waar we de komst van haar grootmoeder afwachtten. Iedere tram die op de halte kwam, werd door ons uitgebreid bestudeerd.

Zit ze er in of zit ze er niet in, dat was de vraag. Zat ze er niet in dan was de teleurstelling groot, maar als ik beloofde dat ze in de volgende tram zou zitten, was het weer goed. Als ze daadwerkelijk uitstapte, grensde de vreugde aan euforie. Geen kind ooit was zo dol op haar grootmoeder als zij, behalve ik dan, zoals mijn geliefde fijntjes opmerkte.

Deze woensdag sta ik bij het Centraal Station gespannen op de 17 te wachten, waarin mijn geliefde zitten kan, maar waar ze ook niet in kan zitten. In de pauze tussen trams houd ik de gang van zaken beneden aan het water in de gaten. De toeristen staan in lange rijen geduldig te wachten tot ze op de rondvaartboot mogen stappen die ze een uurtje door de grachten voeren zal. Er is geen gids meer aan boord, maar ik zie wel een ­microfoon. Ik wil het net gaan vragen als de 17 stopt die mijn geliefde brengt.

De stationsklok wijst kwart over twee. Over drie kwartier weten we naar welke middelbare school ­onze kleindochter gaat. Terug in Amsterdam denk ik terug aan Parijs en aan de jeugdige ober in café De Vos in de rue de la Verrerie die ten gerieve van twee Amerikanen eerst een varkenskarbonade nadeed om ze vervolgens op een volmaakte zwaardvis te trakteren.

Is de eens zo ­immens populaire komiek alweer vergeten? Wie zal nog weten, denk ik, terug in Amsterdam, dat in de Paleisstraat waar nu een Tours en Tickets zit decennia lang een ­gewaagde lingeriezaak zat. Die lingeriezaak, in de Utrechtsestraat zat er ook een, was een van de verboden plekken van de stad. Er waren meer van dat soort plekken in de stad. In de Spuistraat vlakbij het Rokin bijvoorbeeld zat een winkel waar een groen kruis aan de gevel hing.

Iedere jongen wist dat ze daar ­kapotjes verkochten. Je liep er naartoe om er dan zo snel mogelijk voorbij te lopen. Aan het einde van de Amstelstraat, vlak voor de Amstel, hingen vieze boekjes in een etalage. Je kwam er langs als je naar het Waterlooplein ging.

En iedere dag als ik naar de Eerste Vijf op de Keizersgracht fietste, kwam ik langs de tijdschriftenwinkel Univers op de Rozengracht. Wat daar allemaal niet te zien was, heb ik nooit gezien. Ik had nog geen schilderij van hem gezien toen ik van Karel Appel al een hoge hoed op had. Als tienjarige of daaromtrent was ik een groot liefhebber van de knallende ruzies die losbarstten als op verjaardagen en dat soort bijeenkomsten zijn naam genoemd werd. Mijn tante Mies stikte er bijna in en dat was een goed teken.

In de tijd dat ik iedere dag naar de bioscoop ging en op donderdag vijf keer, heette de maat der ­dingen in filmland B. Tot mijn dertiende was tante Mies mijn B. Bertina, met dat verschil dat ik over Bertina als mens geen mening had, terwijl ik tante Mies haatte als spruitjes op zondag. Als tante Mies iets leuk of mooi of spannend vond, moest het wel vervelend, lelijk of saai zijn. En dat was het ook. Het eerste schilderij dat je dat daar te zien krijgt, toont twee kopvoeters en vijf dieren uit de Cobradierentuin.

En o, wat een prachtig schilderij is Kleine hiep hiep hoera, dat in het Frans heel leuk Petit hip hip houra heet. Mijn toch al hoge hoed is alleen maar hoger geworden. We waren even in ­Parijs en werden wakker met het klokgebeier van Notre Dame de la Croix die vanaf het einde van de straat de buurt overziet. Een uurtje later gingen we er op uit.

Eerst met de bus, om er een beetje in te komen, dan naar een tentoonstelling omdat nu eenmaal hoort en daarna het echte werk. Een beetje rommelen en hier en daar aanleggen voor koekjes en geklets. Deze keer liepen we de rue de Grenelle uit, een lange straat die langs de Invalides voert. Als we de gouden koepel zien, vertel ik altijd dat ik het graf van Napoleon een keer heb bezocht. Moest van mijn vader. Ik vond er niks aan, zoals ik nergens iets aan vond, qua oude gebouwen en lauwe thee dan, want meisjes bijvoorbeeld vond ik heel leuk.

De koffie kwam met een cacaoboon die volgens mijn geliefde geen cacaoboon was, maar meer een soort snoepje. Prompt kregen we het over de koffieboon waar mijn moeder me op trakteerde als ik de koffie had gemalen. O koffieritueel van lang geleden, alles was even heerlijk, van het met koffiebonen vullen van het koffiemolenreservoir tot het malen zelf en het tussen je tanden kraken van de koffieboon, waarvan de smaak al preludeerde op de geur van koffie die zo dadelijk het huis zou vullen.

Toen wij aan het einde van de middag thuis kwamen, beierden de klokken van Notre Dame de la Croix ten tweede male. We waren even naar Parijs. Om bij de Hallen de geur van uiensoep op te snuiven natuurlijk en in de ­Moulin Rouge de beentjes van de vloer te zien gaan, maar vooral toch om in de galerie in de rue de la Mare de kattenschilderijtjes te bekijken, en op de vide grenier in de rue des Pyrenées de Dinky Toy Concorde te kopen, waarvan zelfs de bewegende neus nog bewoog.

Ik zit met een groot probleem. Ik ben inmiddels 16 en mijn penis in in erectie 13 centimeter. Ik zie er goed uit en wil graag binnenkort met een leuk meisje sex hebben. Alleen ik ben zo bang dat ze niks voelt en dan schaam ik me zo. En zijn er wel condooms die ik aan kan? Hebben meer mensen hier ervaring mee? Zoek meer berichten van arP-socialist. Warsocket Bekijk openbaar profiel Zoek meer berichten van Warsocket.

Dennis27 Bekijk openbaar profiel Zoek meer berichten van Dennis Outlaw Bekijk openbaar profiel Zoek meer berichten van Outlaw. Door sex of pornofilmpjes krijg je waarschijnlijk een verkeerde indruk over de grote van de gemiddelde pik. En voor hoe veel een meisje voelt, gaat 't meer om de dikte. Condooms zullen ook geen probleem zijn; als je je zorgen maakt, zou je 't eens kunnen proberen hoe dan ook handig om te oefenen.

En verder, och, zo klein is 13 cm niets; iets ondergemiddeld maar. Ik denk niet dat je je echt zorgen hoeft te maken. Een meisje voelt pas niets meer als je een penis van 4 cm hebt geloof ik. Bovendien zijn er ook meisjes met kleine vagina's. Alleen meisjes praten daar niet zo vaak over met elkaar. En de vagina van meisjes groeit als ze opgewonden zijn en kunnen ook nog wat uitrekken.

Maar 13 cm lijkt me dus totaal géén probleem eigenlijk. Dood aan de spellingcorrector! Zoek meer berichten van filia dei. Niks mis met 13cm. Als je er maar wat mee kan. Maakt niet uit hoe groot hij is, wel wat je ermee kunt. Carrera Bekijk openbaar profiel Zoek meer berichten van Carrera. Jij bent 16, onervaren en niet zo groot, je vriendin is waarschijnlijk 16, onervaren en ook niet zo groot. Toen ik 16 was had ik absoluut geen behoefte aan een enorme lul, dat doet alleen maar pijn. En hij groeit door tot je 18 bent.

En een te logische conclusie: Misschien een optie gewichten aan je penis te hangen??? Energie Bekijk openbaar profiel Zoek meer berichten van Energie.

Och, ik zit op 14cm. Kheb geen vriendin die het erg zou kunnen vinden, plus dat hij voor mij goed genoeg is En de dikte zit ook wel goed.

Vrouw zoekt knaap erotische massage zutphen

Want hoewel mannen het schijnbaar zelfs met een vuilnisbak zouden kunnen doen, mits deze genoeg vrouwelijke vormen lijkt te hebben, gaat een meisje niet de horizontale samba dansen met een man waar ze niets over weet. Hierna is het in principe smooth sailing. Als een meisje met jou wat gaat drinken, langer dan twintig minuten met je blijft praten en ondanks dat verhaal over de kinderversjes nog steeds lacht: Vraag of ze meegaat om ergens nog wat te drinken, omdat jullie elkaar hier nauwelijks kunnen verstaan.

Of dat waar is, maakt niet uit. Voor je het weet heb je actie in de taxi, dankzij je goede gedrag. Want dat is het geheim: Onthoud wel, dit zijn geen universele wetten. Vrouwen die bezet zijn, vrouwen die hun benen al drie weken niet hebben geschoren of vrouwen met ijzersterke principes; hoe charmant je ook bent, bij sommige meisjes gaat het niet lukken.

Jij bent een gentleman geweest en vrouwen vergeten een gentleman nooit. Mocht je haar vervolgens nog een keer tegenkomen, zal ze zich bij het eerste oogcontact waarschijnlijk al afvragen of ze haar mooie ondergoed die dag wel heeft aangetrokken. Of je aanraden bij een vriendin. Wat ik zei, win-win. Een curieuze aangelegenheid blijft het, wakker worden met een ODOL onwijs dikke ochtend lul. Juliën probeert met wat bijzondere hulp het mysterie van morning wood te ontrafelen. Het is een schande dat darten nog niet Hollandse volkssport nummer 1 is.

Oscar pleit vol passie voor een toevoeging aan de Olympische Spelen. Lisette kwam in contact met Stan, alias Sofia, en ging bij hem langs om haar op de foto te zetten. Dronkenschap leidt bijna nooit tot briljante ingevingen, maar de eerste keer dronken zijn is altijd een geval apart.

Hier een aantal interessante verhalen. Van alle redenen waarom het fijn is om een partner te hebben staat dit op nummer 1: Je onthoudt -goed of slecht- al je dromen.

Soms komen er van die dingen op je pad waarvan je nooit had gedacht dat je het ooit zou doen, ook al is het een van de normaalste dingen voor het andere geslacht. Remy stopt de 'man' in 'manicure' en Je zou denken dat deze dieren een nogal zware nacht achter de rug hebben.. Niemand wordt van vliegen echt blij. Vooral van lange mensen hoor je vaak klachten over te weinig ruimte en oncomfortabele vluchten. Terwijl lang zijn tijdens vliegen echt wel zijn voordelen heeft hoo Deze artiest tekent al letterlijk zijn hele leven en geeft de ontwikkeling van zijn tekenkunsten weer door elk jaar een tekening te bewaren.

Zie hier zijn collectie en de bizarre ontwikkelingen! Er is op onverklaarbare wijze al een tijdje een trend gaande, waarin filmpersonages, Disneyprinsessen en andere mythische wezens per sé imperfect of 'realistisch' moeten worden gephotoshopt.

Deze notificaties zouden het leven een stukje makkelijker maken en in sommige gevallen heel veel shit voorkomen. Kan iemand Apple even tippen? Er zijn geen betere metaforen dan onderstaande beelden, die het gevoel van een maandagmorgen na een vakantie vol heel veel eten, drinken, in je bed liggen en nog meer eten weergeven. Je mag weer aan d Bij het zien van deze ugly christmassweaters betwijfel je of je er heel hard om moet lachen of keihard om wilt huilen uit pure schaamte.

Volgens de arts dan. Mijn vraag is nu was dit eigenlijk erg geweest omdat ik groot en fors en alles best mooi vind eigenlijk of toch liever gemiddeld. Ja je pik zou TE fors geworden zijn. Dat blijkt ook wel uit de gemiddelde lengte van ± 15cm. Dat is al lang genoeg, mits je ook een lekker dikke pik hebt.

Aan de hand daar van kun je bepalen welke maat het beste bij jou past. Stuur mijn ervaring ook naar een hulpverlener. E-mailadres om je te antwoorden: Waarom staat mijn reactie niet direct online? Je reactie wordt eerst goedgekeurd door de beheerders. Op werkdagen duurt dat maximaal een uur. Klik hier voor de uitgebreide versie van de huisregels en je privacy.

Het zijn maar getalletjes toch. Of je haar pijn zult doen? Het gaat niet zo zeer om de lengte, maar wel om de omtrek. Ik zou me er niet druk over maken. Ik heb  ongeveer dezelfde maten als jij en kreeg soms wel n's jaloerse blikken. Zo lang je er niet mee gepest wordt: Ik hoop dat ik je een beetje geholpen heb, als je nog wat wil weten, ik zal antwoorden.

Aanvulling Soms kan lengte wel pijnlijk zijn voor een meisje. Maar, reken maar dat de meeste meiden het mooi vinden om met jouw pik te mogen spelen. Condooms gewoon proberen Ja, het kost wat geld, verschillende condooms proberen, maar dan weet je gewoon welke maat het beste past.

En wellicht dat je je vraag ook aan durex kunt mailen, die krijgen vast vaker zulke vragen. Niet de lengte maar de omtrek telt Als je een goed passend condoom zoekt gaat het niet zo om de lengte van de penis, de omtrek is bepalend voor de juiste condoommaat. Bn zelf maar 1. Dat 't volgens hem niet kan, ach ja. Heb jij trouwens ook problemen met "waar laat je 'm?? Vind ik soms wel lastig, zeker als ie half stijf of zoiets wordt.

En vroeger op school met douchen of nu met sporten. Werd er wel om gepest, al was dat niet ècht serieus hoor. Ervaar jij hetzelfde als ik?? Feve heeej   ja soms wel ligt er ook aan welke onderbroek ik aan doe. Ik heb ook wel eens een compliment er over gehad Ik ben er nog nooit mee gepest: Condooms moeten er toch gewoon zijn, je bent vast niet de enige?

Condooms heb ik nu gevonden dankzij de tip over een maat tabel: Ik ben blij dat jouw vragen zo 'n beetje beantwoord zijn. Wat je zei over zwemmen: Ik ben er vaak op vakantie geweest en ga er nog vaak heen.

Gewoon doen zou ik zeggen en geniet!!! Zou toch wel triest zijn als je dat niet kunt omdat je toevallig groot geschapen bent?? Succes en groetjes van FEVE. Feve heej   Ja dat is indd waar ik een beetje tegen opkijk die bobbel: Hij heeft me er toen erg mee geholpen, ook omdat hij kon zien welke me goed stond. We kwamen in ieder geval uit op een donkere kleur, san valt ie minder op. Sindsdien zwem ik waar en wanneer ik 't wil en als "ze "kijken?

Laat ze, van schaamte naar trots. Zo ging het bij mij. Ik hoop ècht dat 't bij jou ook zo'n beetje die kant op gaat! Een grote bobbel is naar mijn idee mooier dan zo'n kleintje, toch?? Weet je wat mij nog het meest verbaasde? Leuk om te ervaren, wou ik ff met je delen. Laat maar n's horen hoe het verder met je gaat. Het zit tussen de oren, mentaal dus zoals je zegt.

Anderen die dit lezen zullen misschien denken waarom we erop doorgaan. Ik vind 't belangrijk genoeg, dit onderwerp. Heb je een maatje meer. Ikzelf vind een grote mooi, zelfs een beetje stoer en zeker niet iets om je voor te schamen. Wat ik al zei: Een ander kijkt anders naar jou als jezelf, zoals je al zei. Maar, ga er naar toe als je er zin in hebt en eraan toe bent. Doe waar je zin in hebt en laat je tot niets dwingen dat je niet wilt.

Nee, ik denk 't niet. Dan ging ik óók of topic met 't naakstrand. Veel jongens vinden hun lengte te klein.. Ik zou er als ik jou was blij mee zijn En trouwens TS heej TS,   Eén ding is voor mij dan zeker, je hoeft je ècht nergens voor te schamen.

Ik denk dat 't je allemaal reuze mee zal vallen. Laat maar weer n's wat van je horen ennuhh. Het is ook niet dat ik er niet blij mee ben het is op sommige momenten nogal onhandig ;   of t lekker is mag het meisje bepalen: Gelukkig dat je er blij mee bent dat je een lekkere grote hebt. Heb jij eigenlijk het idee dat je nog aan 't groeien bent?

FEVE Heeej   haha: Ik ben nl iemand die niet graag in de spotlights hoeft te staan als je snapt wat ik bedoel   Ik weet niet of ik nog groei Ik denk dat ik misschien nog ietswat zou groeien Zou best kunnen zijn dat je nog wat groeit, als ik jou zo hoor.

Ik hoop voor jou niet te veel. Leuk man dat je 'n zwembroek hebt gevonden!! Heb je die vriend van jou nog meegenomen eigenlijk? Lekker makkelijk dat je niet hoeft te leren voor wiskunde, haal je vast wel een goed cijfer!! Ja, leuk om te merken dat we aardig wat overeenkomsten hebben!! En als er mensen zijn die er naar kijken, moet je maar denken; Haha, had jij 'm maar!! Ben benieuwd om n's te horen hoe je eerste zwemparty gaat!! Kunnen we altijd nog verder gaan met bijv.

D   ja kben ook benieuwd komt vast goed: D   hahaha indd: TS  heej TS en natuurlijk óók iedereen die dit topic volgt   Ik heb weer n's gezwommen tijdens die paar warme dagen!! Kwam ik daar toch een leuke gast tegen. Nou ja, van het één kwam het ander, dus we hadden een date!! Wou ik effe kwijt.

TS Hoi,   Ik zat alles nog n's door te lezen en vraag me af waarom je ma zei dat je een laatbloeier bent, ik bedoel. Ik ben de afgelopen week in Frankrijk geweest, op 'n camping met een super zwembad. Lekker gezwommen, af en toe wel starende blikken gehad.

Maar ja, wat heb je voor keus?! Zwemmen vind ik gewoon heerlijk. Er zat heel vaak een jongen van bleek later 18 jaar aan de rand van het bad. Dat wilde hij wel, als ik met 'm mee zou gaan. Dat vond ik best, dus wij op pad. Uiteindelijk, na veel gepas en gezoek vonden we een mooie voor 'm!! We zijn samen richting zwembad gegaan, samen erin gedoken en daarna was ie "door".

Hij was zó gelukkig, alsof er een nieuwe wereld voor 'm openging!! Waarom ik dit allemaal vertel? Omdat 't me zóóó blij heeft gemaakt, fijn toch op iemand gelukkig te zien?! Vrij van de beperkingen die hij had en die nu weg waren. Ik heb het idee dat er veel meer jongens zijn, die hier mee worstelen.

Zich er voor schamen en dus maar niet gaan zwemmen in bijv. Misschien een goed idee om over dit onderwerp een nieuw topic te starten??!! Graag jullie mening hierover. De laatste zin van wat ik schreef, staat er niet helemaal op: Het zal inderdaad wel jaloezie zijn bij de jongens die naar je kijken. Neemt voor mij niet weg dat ik 't soms vervelend vindt, die al of niet jaloerse blikken.

Voelt soms een beetje als een handicap, weet niet hoe ik 't anders moet omschrijven. Ik zal er m'n voordeel mee doen. Je zegt "fors geschapen", ongeveer zoiets al TS en ik?? Weet je trouwens een goeie titel voor de nieuwe topic? Leuk dat je 't een goed idee vindt!! Ik dacht aan iets al "zwemmen - speedo - bobbel". Aan jongen van 17, forsgebouwd: Zou best wel kunnen dat ie nog groeit.

Je zit niet ver van het gemiddelde, misschien iets eronder. Je hoort vanavond meer van me! Heb je trouwens een idee hoe groot de jouwe is? Lees ook de stukjes  hierboven n's. Als je jezelf in de spiegel ziet, is dat blijkbaar niet helemaal zo als een ander je ziet.

Weet niet of jij ook iemand hebt die je mee kan vragen?! Heb je zo'n beetje dezelfde maten als TS en ik?? Ja, als jij naar Frankrijk gaat en je wilt 't zwembad induiken, dan moet je wat straks aan.

Ik snap heel goed dat je daar een beetje mee zit, heb ik ook gehad. Uit jouw verhaal blijkt dat ie een stuk groter is dan gemiddeld. Er wordt al gauw gelachen om iets dat afwijkt van het gemiddelde. En 'n een stijve krijgen in het zwembad? Ach, is mij ook wel n's gebeurd. Ben benieuwd hoe het verder gaat.

Ik lees 't wel hier,   groetjes van FEVE. Dinsdag was ik alleen thuis en heb ik in de tuin in de zon gezeten met mijn zwembroek aan. Op internet zie ik ook langere zwembroeken. Misschien is dat wat in plaats van een kleine zwembroek. Ik denk dat ik dan voor een zwarte ga. Ik ga met mijn ouders op vakantie en een vriend mag mee. We willen flink geinen en natuurlijk zwemmen. Ja Ja, veel te groot!.. En ik dacht altijd dat iedereen bang was dat ie te klein is Voor jouw leeftijd inderdaad erg groot.

Die 19 cm als ie stijf is, dat valt nog wel wat mee. Mijn ervaring is dat een ander veel beter kan zien hoe die zit. En dat je je lul ziet zitten in een zwembroek is op zich toch niet erg?

Maak jezelf er niet gek mee, wees niet bang voor een stijve. Ben benieuwd of je wat leuks kan vinden. Hoor het graag van je!! Ik zal hem eens voorzichtig vragen wat hij er van vindt. Gewoon vragen aan je vriend wat ie er van vindt, zou ik zeggen. Jullie zien mekaar sowieso in zwembroek tijdens de vakantie. Ik hoop dat ik je een beetje heb geholpen ennuhh. Klein  Ik zou jaloers zijn! D mijne is slap 10,5 en stijf 16 en ik ben 13 kun je nagaan! Ik laat het aan de fantasie van anderen over wat er voor moois achter het lycra zit.

Dit was mijn vraag. Mijne is stijf maar 8 tot 10 lang is farceer klein? Ik hoop voor jou dat ie niet nog groter wordt. Een dikkere pik is ook moeilijk om je nog lekker te kunnen pijpen, dus Na bijna 4 jaar toch ff een berichtje achter laten, Ik wil de mensen nogmaals bedanken voor de hulp toen. En vertellen waar ik op geindigd ben: Met de zwembroeken is dit allemaal gewend geen schaamte meer en een bepaald yolo gehalte nu helpt een hoop haha.

Hartstikke leuk dat je na al die tijd laat weten hoe het met je is. Uiteindelijk heb je dezelfde afmetingen gekregen als ik, zelfs nog een beetje groter Ben eigenlijk wel benieuwd hoe groot ie slap geworden is. Zit je nog steeds op sport? Ik wel en ik krijg nog steeds vaak opmerkingen, ook als ie slap is, met douchen dus. Hoe gaat dat bij jou? Intussen al eens naar een naaktstrand of zo geweest jij? Goed dat je geen schaamte meer hebt met zwembroeken, wat voor draag jij Dat yolo gehalte vind ik wel een goeie van je!!

Fijn dat je er goed mee om kunt gaan, ik meestal ook al heb ik met seks vaak last van de grootte. Hoe ervaar jij dat. Leuk als je weer reageert, goed dat je wat hebt gehad aan de reacties hier. Hey Feve slap is ie nu 18 a 18,5 cm lang: Ik ga nu naar de sportschool dus eigenlijk alleen wanneer ik ga bankdrukken kijken de dames wel eens haha.

Verder douche ik nu thuis puur voor t gemak dus geen opmerkingen meer haha. Ik draag nog steeds t liefst boxer shorts, maar soms op vakantie kan dat niet en dan een speedo achtig iets lekker egale kleur haha. Ja inderdaad seks is altijd lastig. Na al die jaren, op school al eindeloos veel opmerkingen te hebben gehad, zou je denken dat het niks meer uitmaakt wat er gezegd wordt. Toch vind ik het vervelend als alle ogen op je gericht zijn. Schamen doe ik me niet, had ik vroeger op school wel.

Vaak afgewezen omdat ze schrikken van de grootte. Komt voor dat gepijpt worden en neuken gewoon niet gaat. Ik heb trouwens sex met jongens en wat ik gehoord heb, gaat dat makkelijker dan met meiden vanwege de dikte inderdaad Heb sinds een tijdje de grootste condooms van MySize via internet, heb jij die al geprobeerd??

Bij mij zitten ze niet echt heel strak. Vaak draag ik een speedo op vakantie Frankrijk , ik krijg hem niet goed opgeborgen, hoe doe jij dat? Geldt ook voor jeans trouwens.

Hey Feve, Ja daarom douche ik dus liever thuis haha ; dat heb ik dus ook, pijpen wil amper of de tanden zitten er al weer goed in laat staan hem er in proppen bij sommige strakke meiden.

Tjah ik val niet op jongens en dat is dus geen doen voor mij. Ja Mysize 67 dacht ik, maar ik vind die nogal vervelend zitten Heb nu ehm TheyFit en dat zit iets beter. Wat zijn jouw maten btw? Nee met die speedo krijg je em ook nooit opgeborgen. Die dingen zijn gemaakt om te laten zien wat je in huis hebt volgens mij haha.



grote lul gezocht meisjes die willen neuken

Ik heb een vriend in Smilde. Als we elkaar spreken, spreken we elkaar in Amsterdam en dan zegt hij dingen als: Dat ik herken omdat ik een vorig leven een paar maanden in Zuid-Laren heb gewoond, vlakbij de Brink, boven de elektrawinkel van De Boer. Of woorden van gelijke strekking. Het was winter en de kraan van de wastafel op mijn kamer was permanent bevroren, een interessante ervaring. Als ik van station Assen naar Zuid-Laren fietste en dat deed ik af en toe, kwam je langs de hunebedden, grote stenen die op stapeltjes in de hei ­lagen.

Onze Man uit Smilde en ik spreken af bij Luxembourg of Kapitein Zeppos, waar we bij een broodje gezond ingewikkelde dingen bespreken. Deze keer zaten we in het café van het Stadsarchief. Aan het eind van onze bespreking gekomen, stelde ik voor de tram naar het Centraal te nemen. Maar daar voelde Onze Man uit Smilde niets voor.

Hij ging lekker op zijn gemak door de Kalverstraat, een beetje snuffelen. Ik was paf, zoals Hanny Michaelis het in haar dagboek noemt. Iemand die voor zijn plezier door de Kalverstraat ging lopen. Het kon niet waar zijn. Ik besloot toch eens in Smilde te gaan kijken. Huis Te Vraag aan de Rijnsburgstraat is een van de wonderen van de stad.

De aula stond op instorten en de graven en de paden tussen de graven waren overwoekerd door onkruid. Maar mooi was het er. Ik herinner me dat in het conciërgehuisje bij de ingang nog ­oude kranten op tafel lagen, alsof de Cerberus die de toegang bewaakte nog maar net was vertrokken, terwijl de begraafplaats al sinds is gesloten.

De laatste keer dat ik Te Vraag aandeed, was in het begin van de jaren negentig, in het vroege voorjaar. De aula werd bewoond, de ­paden waren weer toegankelijk en de grafstenen zichtbaar.

Er stonden bijenkorven in de perken, overal bloeiden sneeuwklokjes en de knoppen van de kastanjestruiken liepen roodbruin en kleverig uit. Bijna dertig jaar later steek ik het bruggetje dat naar de toegang leidt weer over. In het congiërcehuisje staat een hoog tafeltje met de daarop een vaas met bloemen. Op de trappen voor de aula staan rijen geraniums met een enkele blauwe lobelia ertussen. Bij de tuinvrouw die net op haar fiets stapt, informeer ik of ze de geraniums heeft overgehouden, maar nee, dat blijkt niet het geval.

Tegenwoordig zijn ze allemaal opgekweekt. Er bloeien margrieten, egelantieren, boterbloemen, de buxushagen zijn geschoren. Een tikje keurig allemaal, maar het blijft een wonder, Huis Te Vraag. Mijn grootvader die dat ook deed, kocht er altijd zes, spatjes, zodat hij altijd dronken thuis kwam.

Vaak bracht hij ook een hondje mee uit het café. Ik nam er altijd een. Bij de Schouw, bij Westers of de Muizenval. Ze hadden ook een drietafeltjesterras, vier tafeltjes mocht niet van een wethouder die later Tolpoort bleek te heten en die alle bruggen van de stad haringkar- en bloemenstalvrij wilde maken. Vanaf het drietafeltjesterras keek je de Bilderdijkstraat uit en zag je het water van de Jacob van Lennepkade onder de brug verdwijnen, de brug die nu één groot­ ­terras is.

Ik stond in de Gerard Terborgstraat mijn fiets van het slot te halen toen ik werd aangesproken door de mannelijke helft van een echtpaar.

Met de 12 bent u er zo. Ze droegen allebei wandelschoenen zag ik. Ik had even een tekeningetje voor ze moeten maken, dacht ik nadat ze hun weg hadden vervolgd. Wegvragers zijn inderdaad zeldzaam geworden, maar ze zijn er nog, echtparen op wandelschoenen, Japanse meisjes die met de tram naar de Heineken Experience willen, Oost-Europese mannen op de Dam die de Wallen niet kunnen vinden. Misschien moeten we ons eerder afvragen wie de weg nog weet.

Ik moest eens in de George Gershwin­laan zijn, in Buitenveldert. Ik wist ongeveer waar die was, bij de De Boelenlaan, en ik wist dat ik vlakbij was, maar ik kon hem niet vinden, en wie ik het ook vroeg, geen mens wist waar hij was. Toen ik het gebouw waar ik moest zijn eindelijk gevonden had, had ik geen idee hoe ik er binnen moest komen. Een deur is open of een deur is dicht. Het is de ­titel van een stuk van ­Alfred de Musset, en een uitspraak waarover ik nog lang niet ben uitgedacht.

Altijd komt ie weer langs en altijd is ie in al zijn helderheid even mysterieus. En nu las ik dat er huizen bestaan zonder deur, zonder voordeur wel te verstaan, over de situatie binnen werd, meen ik, geen uitsluitsel gegeven. Geen deur, dat is nog eens iets anders dan een touwtje door de brievenbus. Of een deur die altijd aan staat.

Of niet op slot zit. Ik weet er een in een huis in Zuid Frankrijk, waar ik graag kom, onder meer door die deur­loze wc, want het heeft wel wat om op een wc niet tegen een deur te hoeven aankijken. In The Sopranos zit Johnny Sack op een deurloze wc te kakken en een sigaret te roken, terwijl hij in gesprek is met Tony Soprano en zijn adjudanten.

Niemand lijkt er van op te kijken. Mijn geliefde vertelt graag dat toen ze voor de eerste keer bij mijn ouders thuis kwam, mijn moeder met open deur op de wc zat. Dat is bijna een halve eeuw geleden en een open deur is nog wel even iets anders dan geen deur, maar ze is het niet vergeten. In het huis waar ik ben geboren, zaten twaalf deuren, heb ik uitgerekend, kastdeuren meegerekend. Die deuren zaten allemaal dicht, op de deur naar de huiskamer en de deur naar de keuken na. In het begin van de jaren vijftig heeft mijn vader al die deuren een voor een in een andere pastelkleur geschilderd.

Toen wij kwamen wonen, waar we wonen, was de route van de 24 net verlegd. Bij het Roelof Hartplein ging hij niet langer rechtsaf richting Ceintuurbaan, maar linksaf richting Gabriël Metsustraat. Dat duurde tot de 24 plotseling verdween. Maar zie, na een jaartje of twintig tijdelijke werkzaamheden ging de Ferdinand Bol weer open en keerde de 24 terug op zijn oude route. Bij mijn eerste ritje voelde ik me toerist in eigen stad. Wat een opwinding, rechtsaf de Roelof Hartstaat in, geweldig, linksaf naar de Ferdinand Bol, nog mooier!

Pas bij de Albert Kwiep kwam het hart tot rust. Ik wou naar het Stadsarchief, maar de halte bleek opgeheven, en dus stond ik ineens op de Munt. Ik liep terug door de Carlton-galerij toen mijn aandacht werd getrokken door een A4-tje met de foto van een poes: King hem terug wilde hebben, maakte me blij. Een tijdje terug at ik een stukje bij een restaurant waar een poes rondliep die ons werd voorgesteld als Máxima, de koningin van het restaurant.

Maar toen Máxima even later door een enorme hond gegrepen werd en we de dierenambulance moesten laten komen die een bijdrage in de kosten vroeg, kende het restaurant zijn koningin niet meer. Gelukkig kon de zwaargehavende poes na een inzameling worden opgelapt en vond zij als Bikkel een nieuw baasje, ver van dat akelige restaurant. King ga ik binnenkort eens eten. Ik ging het IJsbaanpad af en was het sluisje in de Schinkel overgestoken toen ik ter hoogte van de Pilotenstraat de roep van de koekoek hoorde.

In de verte, want de koekoek roept ­altijd in de verte. De stad zit vol vossen, bevers, bunzings, ooievaars, allemaal dieren die je vroeger nooit zag, maar de mussen zijn er van tussen en de koekoek zwijgt als het graf. Vandaag is alles anders zou ik bijna zeggen. Als kind zat ik vaak op een zeilboot. Die boot lag tussen twee steigers die je bereikte door een lang pad af te lopen dat tussen allerlei houten loodsen door meanderde.

Op de zeilboot tussen zijn twee steigers was het altijd doodstil. En plotseling kwam dan over het water de roep van de koekoek. Enkele jaren geleden begon het me plotseling op te vallen dat ik steeds meer jonge Aziatische vrouwen van kleur over melkwitte kinderen zag moederen.

Ze duwden ze voort in karretjes, speelden met ze in het park en fietsten met ze in de bakfiets. Ik vond het opmerkelijk dat deze vrouwen zulke witte kinderen hadden. Ik heb nogal wat witte vrouwen gekend die kinderen hadden met Chinese mannen en die kinderen hadden allemaal iets Chinees meegekregen. Maar misschien was het omgekeerd wel omgekeerd, bedacht ik. Totdat iemand me vertelde dat de vrouwen niet de moeders ­waren van de kinderen, maar hun oppassen.

Ik heb, denk ik, een beetje de neiging raadsels te creëren, ook waar ze niet zijn. Karel van het Reve heeft eens een stuk geschreven, waarin hij ­iemand opvoert die op Sicilië binnen tien minuten drie keer ­iemand tegenkomt die maar een been heeft en daaruit afleidt dat er in Syracuse bovengemiddeld veel mensen met een been rondlopen.

Ik ben die iemand, iemand bovendien die ook nog eens aan het piekeren slaat over de vraag hoe het komt dat er zo veel eenbeners zijn in Syracuse. Ik fietste langs de nieuwe kunstroute op de Apollolaan die net als de vorige uit de koker komt van Rudi Fuchs, een met een hoger ­niveau dus en een prijskaartje, toen ik drie keer achter elkaar werd ingehaald door jongens die een andere jongen op hun bagagedrager hadden staan.

Wat is dit, dacht ik. Een trend, een nieuwe rage, een club? Ondertussen keek ik naar de beelden op de route en voelde heimwee naar de Tinguely, de gouden schildpad en het vliegtuigje van Joost Conijn uit de tijd dat de beeldenroute het nog zonder hoger niveau en prijskaartje stellen moest.

Stilte is een zegen. Waar wij wonen is het stil. Wel hoor je af en toe geluiden. Geluiden die ik niet kan thuis brengen, vind ik het leukst. Boven ons wordt iets over de grond geschoven, tenminste zo klinkt het, maar wat? Het zal toch niet. Niemand schuift toch een paar keer per week een bank over de vloer? Dat doe ik door de filter met een klap tegen de rand van de prullenbak te slaan.

Ik heb het haar nog nooit gevraagd. Het duurde lang voordat de koffiepot door pruttelen aangaf dat de koffie klaar was, zo lang dat mijn geliefde vroeg of ik misschien vergeten was water in het reservoir te doen.

Waarop ik haar eraan herinnerde dat ze een keer chili con carne zonder carne had gemaakt, wat uitstekend smaakte overigens. Op gehaktdag maakte mijn moeder macaroni met ham en kaas, een uitheems gerecht in die ­dagen. Op een keer liet de kaas zich maar moeilijk kauwen. Wat kwam, zoals we na een tijdje ontdekten, doordat mijn moeder de papiertjes tussen de plakjes kaas had meegekookt. Als je Gerard Kornelis van het Reve opbelde, vertelde R. Van het Reve had net zijn Brief uit Edinburgh gepubliceerd en veranderde in razende vaart van de ambachtsman die probeert het Engels onder de knie te krijgen of de wetten van het toneel te doorgronden in de geestige provocateur die hij altijd al was, maar die hij tot dan buiten zijn werk had gehouden.

Maar er is nooit opgeroepen tot een boycot van Reve die in zijn voor- en achternaam veranderde , schreef Wouter van Oorschot ­onlangs in verband met de damesoproep tot boycot van een stijlloze website.

Een ketting kan lang zijn. Omdat we het over vroeger hadden, vertelde Hans een mop die hij van Genna Sosonko had gehoord. De mop ging zo: Het stoplicht bij het Concertgebouw stond op groen, dus ik­ ­begon aan de oversteek, maar bus bleek aan dat stoplicht geen boodschap te hebben en sloeg ­resoluut rechtsaf de Lairessestraat in.

Op mijn rijwiel maakte ik een snelle schatting waaruit ik ­afleidde dat ik onder de achterwielen van de bus geplet zou worden. Om dit te voorkomen, kneep ik in mijn remmen, waarna ik over mijn stuur heenvloog en als door een wonder een redelijk zachte landing maakte tegen twee dames die zojuist het Concertgebouw hadden verlaten. Toen ik thuis de gehavende ­Lucebert-catalogus opensloeg, was het eerste wat ik zag zijn tekening Gevallen fietser uit Van huis fietste ik op een andere fiets naar een afspraak die me vertelde over een vriend, een oude man met wie het niet goed ging en die niet goed meer wist wie hij was.

In een moment van helderheid had de oude man hem gevraagd, wat hij in zijn leven eigenlijk gedaan had. En van goede wijn. Op weg naar ramsjwinkel Steven Sterk kwam ik langs Shoebaloo in de Leidsestraat, de schoenenwinkel waar in de ­jaren zestig mijn toenmalige vriendin haar schoenen kocht. De winkel heette toen nog geen Shoebaloo, ze zagen je aankomen, maar De Lange meen ik.

Net wat ik zei. Die zoals altijd, zoals ik wist, een maat te klein ­waren. Bij haar dood liet ze kasten vol te klein gekochte schoenen achter. Steven Sterk had geadverteerd met Leven met Reve: Sinds haar dagboeken wil ik alles van ­Michaelis.

Maar eenmaal ter plaatse bleek Steven Sterk op­geheven en te huur. Van alle hooggeplaatsten in mijn vriendenkring, voorzitters, dijkgraven, eindredacteuren, is de Groot Moefti wel de hoogstgeplaatste. De Groot Moefti is Groot Moefti van Amsterdam Noord en tevens onder het pseudoniem Jan Donkers schrijver van het standaardwerk over Amsterdam Noord, Zo dicht bij Amsterdam, een boek dat om de paar jaar met een nieuw hoofdstuk uitgebreid, herdrukt wordt. Ook vermeldenswaardig is dat de Groot Moefti, die jarenlang ­gedreigd heeft het Centraal Station middels een bomgordel tot ontploffing te brengen, sinds een ritje door het fietstunneltje onder het CS geheel om is.

Enkele weken geleden leidde de GM een paar Amerikanen door de stad. Op de pont over het IJ wees hij hen op het Eye gebouw, wat ze prachtig vonden en daarna zei hij: Dat kon niet waar zijn, die dooie huizenblokken, Koolhaas, nee, de Moefti maakte een grapje zeker?

Na raadpleging van Google raakten ze in een architectonische depressie die tot in de kleine uurtjes duurde. Hoe anders was mijn­ ­reactie toen ik een paar jaar geleden ontdekte dat het Frans Otten Stadion dat uitkijkt op onze tennisactiviteiten van Rem Koolhaas is.

Ik had het altijd een tamelijk lelijk gebouw gevonden, een ongeïnspireerde doos met lelijke betonnen uitlopers, maar ineens zag ik de schoonheid van het gebouw, hoe het landschap zich voegde naar de kracht van de architectuur, hoe alles samenvloeide en het geheel oneindig veel meer werd dan de som der delen.

Met een huis vol kinderen keken we tijdens de dodenherdenking naar de twee minuten stilte. Vreemd, dacht ik, kijken naar de stilte. Stilte is toch onzichtbaar, net als de tijd, de wind, de snelheid van het licht. Max Pam schreef dat de twee ­minuten stilte van de dodenherdenking vroeger werden aangekondigd doordat de straatlantarens gingen branden. Dat was ik vergeten, maar zo was het. Iedereen stond voor het raam of op het balkon op het teken te wachten. En dan werd het stil. Toen al ­keken we naar de stilte.

Wat ik niet vergeten ben, was de merelzang die je hoorde. Merels klonken nooit helderder en melodieuzer dan tijdens die twee minuten stilte. Wat ik weer wel vergeten was, is dat je vroeger af en toe nieuwe veters in je schoenen deed. En dat mensen een stukje gingen eten: Een glaasje drinken, hoor je nog wel. Ik doe dat als eerbetoon aan de in overleden dichter Jan Hanlo die ik de jaren voor zijn dood ­regelmatig heb ontmoet.

Hanlo was een wonderlijke man. Hij hield van motorfietsen, Vincents, kon op rijm middeleeuws spreken en droeg op feestjes vaak een gasmasker. Tijdens de Wereldtentoonstelling bij de moderne boekwinkel Bas in de Leidsestraat, in meen ik, waar de wereld tentoon werd gesteld, hield Hanlo een toespraakje, waarin hij een boekje liet zien dat bij de tentoonstelling was verschenen.

Maar hij liet het boekje niet alleen zien, hij zei het ook. Van het papier waarop zijn toespraak stond geschreven, las hij voor wat hij deed: Twee meisjes stonden er giechelend een selfie te maken. Maar Paul de Leeuw was de man niet, dus waarom maakte hij een selfie?

Ineens wist ik het. Tevreden fietste ik door naar de kapper, waar alle stoelen bezet waren. Toen de vrouw die voor mij was aan de beurt was, bleek ik aan de beurt. Zij was hier om haar zoon bij te staan. Ik nam plaats in de stoel van Alies uit Almelo die tijdens het knippen vaak zo gezellig met me praat. Alies keek me even onderzoekend aan en vervolgde toen haar gesprek met de moeder die haar zoon bijstond.

En dat het zo kort geknipt is, komt natuurlijk doordat je de kapster niks gezegd hebt. Maar het staat je goed. Op straat kwam ik Hanneke Groenteman tegen aan wie ik mijn verhaal vertelde. De enkele keer dat ik vroeg de deur uitga, verbaas ik me altijd over de activiteiten die al gaande zijn.

De fietspaden zijn vol fietsers, de bakkers in hun ­witte werkkleding pauzeren voor de bakkerij met een beker koffie en een broodje, kappers knippen en de bloemenwinkel die tevens een galerie is met aan zijn wanden bloemstillevens en stadsgezichten, heeft de bloemen buiten gezet.

Of je in een parallel universum terecht bent gekomen. Ik zit in de tram en kijk naar de jonge vrouw aan de andere kant van het gangpad. Ze draagt een uniform met daaronder schoenen die zo glimmend zijn gepoetst als alleen uniformdragers schoenen poetsen kunnen. Ze ziet eruit ­zoals ik me in de vroege morgen vaak voelde, vroeger. Dit als gevolg van de voorbije nacht, waarin het ene glas het andere uithaalde en het ene café als vanzelfsprekend naar het volgende had ­geleid.

Ik hield van de stilte die voorafging aan het moment dat het ­leven in de stad hervat werd. De plotselinge vuilniswagen, een rolluik dat rammelend omhoog ging, de zon die door de wolken brak en de overkapping van het Centraal Station verlichtte. De jonge vrouw had een vreselijke kater. Hij stond haar goed en ze had nog de hele dag om ermee te leren leven. Toen ik die avond met de laatste tram naar huis reed, zaten er naast mij twee jongetjes die allebei een klein voorwerp in hun hand hielden, een soort rad, dat ze konden laten draaien en dat dan strepen licht liet zien.

Met enige regelmaat begin ik kleine verzamelingen. Zo spaar ik sinds een jaar of twee platgereden en bij voorkeur roestige kroonkurken van bierflesjes.

Ik heb ze van Amstel en Heineken, van Jupiler, Texels, Grolsch, Argus en van merken die ik door de roest niet kan ontcijferen. Het aardige van de verzameling is dat hij de blik omlaag dwingt, waar zoals je al snel merkt veel te zien is. De schoonheid van putdeksels is vaak bezongen, maar het is toch anders als je ze in hun natuurlijke omgeving bekijkt in plaats van op een foto.

Je vindt spijkers en schroeven en af en toe een platgewalste kroonkurk voor de verzameling, heerlijk ogenblik. Naast kroonkurken verzamel ik naamloze pleintjes. Wat niet eenvoudig is, want wat precies is een pleintje en wanneer is het naamloos? De straat die je van de J. Coenenstraat naar de Harmoniehof voert, brengt je bij een piepklein en driehoekig parkje, waar het voor jeugdige geliefden goed toeven is.

Vanaf het bankje dat zij vrijwel permanent bezet houden, kijk je op een alleraardigst pleintje. Straat, parkje en pleintje heten Harmoniehof wat volgens mij een beetje veel van het goede is, maar of het pleintje in mijn verzameling hoort, ik ben er nog niet uit. De foto van de haringkar op het Haarlemmerplein die in de haringkar hangt, is een mooi, maar niet helemaal juist voorbeeld.

De foto van de Gerard Doustraat gezien vanaf de hoek van de Ruysdaelkade , waar rock- en bluesgitarenwinkel de Plug zetelt, is niet mooier maar wel een beter voorbeeld.

Hij hangt op 8b in de etalage. Ze zijn terug, ze zijn terug. Ze scheren weer over de daken en jagen weer hoog door de straten, ze snijden door de lucht en schreeuwen, maar het is niet hun naam. Dit is het moment om in een niet al te goed opgeknapte negentiende eeuwse buurt, in Pijp, Kinkerbuurt of Helmerskwartier een beetje slordige straat op te zoeken en daar een goede uitkijkpost te kiezen om vanaf de grond het schouwspel in den hoge in de ­gaten te houden.

Negenduizend kilometer gevlogen om terug te keren op een nest in de Nicolaas Beetsstraat of het Bellamypleintje, een paar dagen bijkomen en dan weer aan de slag.

Want er moeten eieren worden ­gelegd en uitgebroed en jongen grootgebracht. In de negentien uur per dag dat er gevlogen wordt, moeten honderdduizenden insecten gevangen worden. De gierzwaluwen vliegt in groepen, en binnen de groep in paartjes, die elkaar in duettoon beschreeuwen, een heerlijk geluid, dat net zo bij de stad hoort als het bellen van de tram. Gierzwaluwen lijken altijd ver weg. Zelfs als ik op vier hoog op mijn balkonnetje in de Bosboom Toussaintstraat stond, leken de gierzwaluwen ver bij me vandaan.

En als er een vlak langs me vloog, deed hij dat zo snel dat ik hem niet beter zag dan vanuit de verte. Tijdens een dodenherdenking op de Apollolaan zag ik eens een gierzwaluw uit de lucht vallen.

Gierzwaluw op de stoep, vlak voor mijn voeten. Maar toen ik hem wilde pakken, vloog hij op en landde in een boom. De Franse dichter René Char schreef een gedicht over de gierzwaluw dat zo begint: Iedere keer als ik de stad in ga, lijkt het drukker geworden. Meer en grotere groepen worden rondgeleid door gidsen met steeds langere stokken waaraan grote vlaggen wapperen, steeds meer jongelui stuntelen op gehuurde fietsen over de fietspaden, waarop steeds meer mensen maar een potje raak lopen.

Mijn ogen zitten van voren en van ­achteren, bellen helpt niet en je hebt al je stuurmanskunst nodig om zonder schade aan fiets of toerist door de menigte heen te manoeuvreren. Jelka was knap, brutaal en zat op hockey. Toen we van school waren, heb ik haar nog twee keer gezien. De eerste keer was ze op weg naar ­Jeruzalem waar ze iets ging doceren.

De tweede keer was in café het Hooischip aan de Amstel. Ze ­herkende me aan mijn stem. Ik herkende haar omdat ze mij ­herkende. Tijdens de meivakantie hebben we in wisselende samenstellingen steeds een stuk of drie, vier kinderen over de vloer gehad, jongens en meisjes, zo tussen de zes en de twaalf.

Om de een of ­andere reden dacht ik dat kinderen vandaag de dag de hele dag op hun telefoon zaten te kijken en nauwelijks een woord met elkaar wisselden, maar niets bleek minder waar. Ze zaten gewoon urenlang te monopoliën of te hartenjagen en over de spelletjes te hakkentakken, heel herkenbaar allemaal.

Af en toe kwam een moeder er een halen of brengen en dan hoorde je nog eens wat, want, dat moet gezegd, over hun privéleven ­waren de kinderen niet erg mededeelzaam. De moeder van Manuel 11 vertelde over hun verhuizing van de Jordaan naar Nieuwendam en over de eerste keer dat ze haar zoon na de verhuizing van school kwam halen, zijn oude school in de Jordaan. Maar al wie er uit school kwam, geen Manuel, en bellen kon ze hem niet, want hij had geen telefoon. Dodelijk ongerust was ze tenslotte naar huis gereden.

Waar Manuel al op haar zat te wachten. Hij kent zijn stad, Manuel, zelfs de stukken waar hij nooit geweest is. De moeder van Nathan 6 vertelde dat haar zoon plannen had om een brug over de Atlantische Oceaan te bouwen, van Zeeland naar New York.

Geen geringe ­ambitie voor een zesjarige. Hij had al becijferd hoelang het rijden was en hoeveel hotels er komen moesten onderweg. Intussen was er een einde gekomen aan een potje ­Monopoly en Rana zei: Om mijn geliefde te verrassen had ik op de Haarlemmerdijk een piepkleine gouache ­gekocht van Jaap Hillenius, de schilder die in , op de Willemsparkweg meen ik me te herinneren, tragisch aan zijn eind kwam toen hij werd overreden door een tram.

De gouache toont blije vlekken die half doorzichtig over elkaar heen schuiven en zo de lente zichtbaar maken. Terwijl mijn aankoopje werd ­ingepakt, raakte ik aan de praat met een schilderes die mooie kippenschilderijtjes maakt. Er was ook een boek van, zei ze, en dat boek liet ze me zien. Toen ik het doorbladerde, werd mijn aandacht ­getrokken door een schilderij van een onderzeeër. Als miljonair had hij toen het goede voorbeeld kunnen geven door een eerste ton beschikbaar te stellen, maar ja, hoe word je miljonair?

Door zuinig te zijn. En zuinig was hij, de columnist, zo zuinig dat Heineken hem een keer had opgevoerd in een advertentie, waarin gesteld werd dat hun bier nu zo lekker was, dat zelfs de ­columnist in kwestie wel een rondje geven zou, maar… Op dat moment viel de schilderes me in de reden en zei dat Maarten van Rossem niet de onderzeeër, maar haar schilderijtje had gekocht. Jammer voor de onderzeeër, leuk voor het schilderij. Om de een of andere reden bleek ze die lach nog niet te hebben.

Enige tijd geleden stond de postbode op de stoep met een doos die negentien deeltjes Bulletje en Bonestaak bleek te bevatten. Ik ben altijd gek op Bulletje en Bonestaak geweest. Ik houd van de droge precisie van de tekst van A.

Wat mij ook bevalt, is dat avonturen nog niet afgelopen zijn als ze afgebroken worden en ieder nieuw avontuur dus op een volstrekt willekeurige plaats lijkt te beginnen. Het mooiste avontuur vond ik in boekje negen, waarin Bulletje en Bonestaak op een onbewoond ­eiland zijn beland en kennis hebben aan de menseneter Dinsdag, die niet alleen op verbazingwekkende wijze lijkt op Oude Hein maar net als Oude Hein verbazingwekkende verhalen kan vertellen.

Ik herinnerde me het avontuur vrijwel plaatje voor plaatje. Wat ik me afvraag: Als je naar een tennistoernooi gaat, weet je wie je gaat tegenkomen, maar toch blijft het vreemd als je op de Valentijnkade, waar je nooit eerder bent geweest, ineens allemaal bekenden ziet. Hé, daar komt Maarten Moll aan gefietst, en daar zal je Henk Spaan hebben, terwijl Janneke van der Horst ­binnen blijkt te zitten.

Is het een Parool-toernooi misschien? Nee, het is een toernooi van Propria Cures, u weet wel, het studentenblad sinds In de tijd dat ik redacteur van Propria Cures was, werd er niet aan tennistoernooien gedaan. Als de redactievergadering in het fietsenhok van Drukkerij Van Campen erop zat, liepen wij rechtstreeks naar het koffiehuis naast het stadhuis en gingen aan het bier, om een uurtje later in de speelhal op de hoek van de Oudezijds en de Damstraat te belanden. Onze favoriet daar was de Gator, een flipperkast waarop heroïsche duels zijn uitgevochten.

Mensje van Keulen stond haar mannetje, Tim Krabbé was denk ik de beste, Koen Koch de stilist en Peter Hagtingius zou later nog wereldkampioen worden.

En nu tennissen we dus en Maarten Moll werd kampioen. Op de terugweg belandden mijn geliefde en ik in Café Koosje waar we ons ouderwets bezondigden aan bier en wijn en bitterballen.

Een tijdje later, op de tramhalte, stapten we tegelijk in met een dame die een peddel bij zich had. Ik liep eens met mijn racket onder mijn arm over de Oudezijds Achter, toen een donkere schone die voor haar kamertje te swingen stond mij wenkte. Theo die als kind Kleine Theo heette om hem te onderscheiden van zijn vader, Grote Theo, die door neefjes en nichtjes ome ­Dorus werd genoemd, kent Oost zoals ik West ken, op zijn duimpje. Hij weet precies waar een telefooncel heeft gestaan, of een transformatorhuisje of een stadsklok.

Op het Krugerplein stond een transformatorhuisje dat zich als pannenkoekenhuisje had vermomd. Ook was er een fontein. We waren op weg naar de straat waar zijn ome Bennie had gewoond, de oom met wie zijn vader een steenhouwerij had gedreven. Nadat we de Ringvaart waren overgestoken, belandden we in een stil straatje waar een man driftig zijn stoep stond te vegen. Voor zijn huisdeur stonden naast elkaar twee fietspompen, achter het raam zat een prachtige poes.

De twee fietspompen waren nodig om er een functionerende fietspomp van te maken en de poes had een hartkwaal. Ook ons huis kent vele kamers. Zes om precies te zijn, de riante hal meegerekend. In deze hal hangt tussen tekeningen van Simon Vinkenoog en Remco ­Campert, schilderijtjes van Pam Emmerik en Han Bennink en een polaroid van Gerard Reve die zijn hoed opzet of juist afneemt, dat kun je op de foto niet zien, een zwart-witfoto waarop een volslanke vrouw in een witte jurk hand in hand met een man in een grijs pak van ons wegloopt.

Bezoekers vraag ik altijd of ze de vrouw herkennen en dat doen ze. De achterkant van Marilyn Monroe blijkt net zo herkenbaar als Marilyn Monroe van voren. Nu hebben velen van ons de achterkant van Marilyn Monroe wel eens gezien. In Niagara bijvoorbeeld wordt die achterkant uitgebreid in beeld gebracht, in volle werking. Maar wie kan zeggen dat hij ­Samuel Beckett wel eens van achteren heeft gezien?

Zoals je in de man met de tas en de regenjas die je vroeger wel door de stad zag scharrelen altijd Simon Carmiggelt herkende. Een tijdje terug fietste ik door de Vijzelstraat in de richting van de Munt toen ik aan de overkant een goede vriend langs het Stadsarchief zag lopen.

Hij ging dezelfde kant op als ik. Ik zag hem dus op de rug, maar dat hij het was, leed geen twijfel. Zoetendaal heeft het over openingen, poorten, sleuven, spleten, kieren, een veelzeggende opsomming die bedoeld lijkt om Breitners liefde voor stegen te verklaren. Maar misschien ook niet.

Breitner hield van stegen, zoveel is duidelijk, zoals ik ook van stegen houd. De smalle reep licht hoog boven je, de V van lucht aan de twee uiteinden van de steeg, de permanente schaduw, de altijd aanwezige geur van pis, het heeft iets, waardoor het misschien wel de stegen zijn die een stad tot een stad maken.

In stegen valt altijd iets te beleven. Je wordt er beroofd en hoeren oefenen er hun handwerk uit, er worden drugs gedeald, er wordt gepist, gespoten, gevreeën en ­gevochten en als je mazzel hebt, is er ergens halverwege een verscholen deur die toegang geeft tot een houten trap die naar de verdieping leidt waar een oude Indische dame in bontjas op haar troon eenmaal in de maand audiëntie verleent aan de Indische jongens uit de buurt.

Ze had magere handen en droeg ringen met grote stenen aan al haar dunne vingers. Ze had grote ronde ogen en rook naar de specerijenwinkel. Als de rituele begroeting met mijn vriend ten einde was, reikte ze mij haar smalle hand die ik voorzichtig drukte, waarna wij haar achterlieten op haar troon en de steeg uitliepen naar de Geldersekade om daar aan te leggen bij een klopcafé.

Altijd op een vrijdag, het hele weekend nog voor ons. Ik zat buiten, want hoewel de dag voorbij was, was het lekker weer. Toen ik naar binnen ging om iets te bestellen, stond er een oude man aan de bar die bezig was hem stevig te raken. Een moeder en dochter sloegen het met belangstelling gade.

De dames vielen bijkans in katzwijm van verbazing. Brutaal geworden bogen ze zich vervolgens over zijn jeneverkelkje op de tap. Nadat de man dat had bevestigd, zei ze dat ze dat niet hadden in het Zuiden. Ik had inmiddels mijn biertje gekregen en ging weer buiten zitten, waar de oude man die Willem bleek te heten zich niet veel later bij me voegde.

Ik schoot in de lach. Maar nu ga ik naar huis. Daar ben ik nog voor het eerst beroofd. Door de jongste zoon van de Tokkies. Van al mijn voetbalplaatjes. Mijn vriend de schaker, die geen schaakvriend is en met wie ik nog in de derde klas van de lagere school heb gezeten, de huidige groep 5 als ik me niet vergis, waar hij zich overigens niets van kan herinneren maar ik wel, vertelde me dat hij eens met een schaakofficial vanuit het Centrum naar West was gereisd, met de Kikker dus of met de Blauwe Tram, voor een schaakevenement dat plaatsgreep in het gebouw van de Wereldbibliotheek bijvoorbeeld of op het stadhuis van Sloterdijk, waar mijn ouders in de meidagen van ­getrouwd zijn, maar dit geheel terzijde.

Daar aangekomen had de official lacherig verteld dat hij vanuit de tram een winkel had waargenomen, die zich het Opklapbeddenpaleis noemde. Algemenen hilariteit onder het schaakvolk. Maar inderdaad, het valt niet te ontkennen, in de nabije omgeving van de Admiraal De Ruijterweg had je de Stoffenprinses, de Gaskoning en de Stofzuigerkoning ze zitten er nog , een Beddenpaleis en de ­Tapijtkeizer.

En in de Elegaststraat woonde bovendien de Sjah van Barbarber. Barbarber was een langwerpig tijdschrift, dat vanaf werd geredigeerd door K. Brands en Brands was de Sjah van Barbarber. Brands heeft op een velletje ­boterhampapier eens een tekening van Okkie Pepernoot overgetrokken, en dan schreef hij ook nog Het laatste kwatrijn: Een sjah, een koning, een keizer, een prins, een prinses en een paleis, wat is dat toch met de Admiraal De Ruijterweg?

Naast mij klonk het antwoord: In de Halvemaansteeg was ik wegens trek een dönerzaakje binnengelopen. Aan het ­tafeltje bij het raam zat een grote witte man een enorme kapsalon weg te werken. Niet helemaal politiek correct leek me, maar het smaakte hem er niet minder om.

Nadat ik mijn keus had gemaakt, wendde ik mijn blik naar de kast met gekoelde dranken. Alleen maar limonade, stelde ik vast. Nou ja, halal, niks aan te doen.

Van de Halvemaansteeg liep ik over de Kloveniersburgwal naar de Nieuwmarkt, waar op de kermis het vijftiende en laatste door Geert van Tijn georganiseerde KroegKorenConcours plaatsvond. Dat jureren is een aangenaam karweitje. Je luistert naar vrolijk gezang en je kijkt af en toe naar Geert die onder zijn hoge hoed gelukkig zit te wezen, vlak voor je neus zie de leuke ­dames van het Zeedijkkoor welhaast ongemerkt van dame in hoer veranderen en intussen houdt Van Luyn alles bij om er een spitse prijs­uitreikingsconference over te houden.

Nadat we voor Geert met zijn ­allen Aan de Amsterdamse grachten hadden gezongen, kregen de juryleden de traditionele fles ­korenwijn. Door de buurt liep ik naar de tram naar huis. De meisjes in hun neonverlichte kamertjes ­hadden hun vingers in hun poes of ­keken op hun telefoon. En hopsa heisasa, want koude voeten, wintertenen, al dat kil en koud verdriet, heb je in de meimaand niet.

Dat hield in dat de kinderen in de klas die lid waren van de AJC vrij kregen om in optocht door de straten te lopen, waarbij ze op trommels sloegen en rode vlaggen mee droegen. Hoewel ie van de toffelemonen was, vond ik hun optocht van die met broodjes en sinaasappels ­opgetuigde stokken toch leuker. Net als mijn moeder, die als kind bij de padvinderij wou, wat natuurlijk niet mocht, stel je voor, een kind uit een keurig SDAP gezin bij de padvinderij! Uiteindelijk heeft ze even bij de Rode Valken of zoiets gezeten.

Heel even maar, want toen ze zestien was, ontmoette ze mijn vader en met hem ging ze lekker kanoën. Het gekke is dat ik tegenwoordig gek ben op de AJC en uit dien hoofde een trouw lezer ben van Het gele blaadje, een blad van en voor oud AJC-ers van Nederland. In het zojuist verschenen 1 mei-nummer staat een verhaal van ­René de Cocq die er samen met een vriend in slaagt een 78 toerenplaat van Little Richards Tutti Frutti bij volksdansles binnen te smokkelen. Toen de volksdanslerares even weg was, legden ze de plaat op de Trio-Track en: Als door een wesp gestoken vloog Jos de gymzaal in, wit van drift, sissend: Zijn jullie nou helemaal gek geworden.

De winkel die beloofd had om tien uur open te zijn en waar ik om ik om tien uur voor de deur stond, bleek nog gesloten. Waarop ik tot een kleine wandeling besloot die mij na enkele stappen al voor de etalage van een postzegelwinkel bracht. In deze etalage vallen behalve postzegels vaak kleine zilveren voorwerpen te bewonderen als snuifdozen, ­sigarettenkokers, roomkannetjes. Deze keer stond er een niet onaardig peper en zoutstel. Wat er ook stond, was een bakje vol priegelige muntjes.

Vier keer geluk voor een tientje, een aanbod dat je niet kunt weigeren. Groot geluk doorstroomde mij toen ik even later met mijn vier halve centen weer buiten stond, want daar, op het fietspad fietste een leuke jonge vrouw voorbij die in een hand een grote tak bloeiende perenbloesem meevoerde. Fluitend liep ik naar het dichtstbijzijnde boekenkastje, waar het Schrijversprentenboek Jacobus van Looy al op mij te wachten lag.

Thuis bekeek ik de plaatjes en ik las deze uit daterende tekst van Van Looy: En plotseling, met die stem eens dichters die de woorden zo lief heeft, zei hij: In de Spiegelstraat gaat het snel bergafwaarts. Was het tot voor kort een straat vol mooie antiekwinkels en ­galerieën, nu worden er hamburgers verkocht en namaakkunst in ­namaak gouden lijsten.

In de etalage van de buurman staat een enorme afdruk van de ­foto waarop Sophia Loren tijdens een etentje schuins in het decolleté van Jayne Mansfield zit te ­loeren. Ik word altijd vrolijk als ik de foto zie en ik ben niet de enige. De ene toerist na de andere houdt de pas in om zich breed grijnzend voor de foto te laten fotograferen, waarna ze hun weg vervolgen. Ik voeg me in de stroom, en loop mee in de richting van het Rijksmuseum. In de passage onder het museum klinkt een strijkkwartet.

Een man blaast op een saxofoon, maar Sonny Rollins is hij niet. Aan de andere kant wachten de letters die tezamen Iamsterdam vormen en om de een of andere reden zijn uitgegroeid tot een van de grote attracties van de stad. Terwijl ik het plein oversteek, denk ik aan de keer dat het ­gerucht door de stad ging dat de duizenden narcissen op het plein geplukt mochten worden. Wat toen ook gebeurde. In drie tellen was het hele grasveld kaal.

In de Van Baerlestraat ga ik naar binnen bij boekhandel Premsela, sinds een maand failliet. Ik ga nog in zaken op mijn oude dag.

Ik houd van de geur van ­gravelbanen in de morgen. De tennisbanen van mijn jeugd lagen aan de Zuidelijke Wandelweg. Vanuit de Bos en Lommer was dat een heel eind fietsen. Eerst de eindeloze Hoofdweg af, waar de zon altijd leek te schijnen, dan om het Surinameplein heen en de Overtoomse Sluis over. Aan de andere kant van het ­water stond een kerk, die later plaats moest maken voor Autopon, dat in Volkswagens deed.

Een eindje verder op de Amstelveenseweg was een manege waar het op woensdagmiddag druk was met paarden en kinderen. Als mijn moeder me bracht, en dat deed ze in het begin, vroeg ze altijd of ik niet op paardrijden zou willen. Dat wilde ik niet.

Lijken die kinderen je niet leuk? Tenniskinderen waren al erg genoeg. Ze vroegen je wel waar je woonde, maar als jij zei dat de Esmoreitstraat in west was, hadden ze meteen geen belangstelling meer.

Toen ik alleen naar de tennisbaan mocht, ging ik, als ik niet naar school hoefde, vaak vroeg in de ochtend. Het was dan stil op de Wandelweg. De voetbalvelden ­lagen er verlaten bij, maar op de tennisparken werd altijd ­gespeeld. Op het pad dat door het struikgewas naar ons clubhuis liep, hoorde ik het zachte geplof van de ballen en kikkergekwaak daar doorheen.

Op weg naar hun boerensloot. Ik liep langs de Artis en al ­lopend keek ik naar de mensen die door de Artis liepen. Ze hadden hun ronde ­gemaakt, van de apen, naar de leeuwen, langs de olifanten en ­giraffen, naar de zeeleeuwen en de pinguïns, en nu waren ze, hoewel ze nog lekker door de Artis liepen, op weg naar de uitgang.

Naast me zat een man op zijn fiets. Naar de ­Plantage waar je naar de lepelaars kunt ­kijken. De meeste lepelaars stonden op hun eiland op een kluitje bij elkaar.

Een stuk of drie zaten te broeden op een door mensenhanden gemaakt nest in een knotwilg. Drie anderen liepen te snavelen in het ondiepe water dat hun eiland omringt. Behalve lepelaars liepen er kemphanen, patrijzen, een ­kievit, een paar kluten, twee ooievaars. Aan mijn kant van het hek was een fontein die op gezette tijden water spoot.

Ik heb een tijd staan kijken en liep toen zonder om te kijken weg. Als je de Artis binnenkomt, ­herinnerde ik me, bekijk je ieder dier en alleen al de aanblik van olifanten in de verte vervult je van ­opwinding. Als je niet de ronde maakt, maar dezelfde weg terugneemt, keur je dezelfde olifanten geen blik waardig.

Door de Roeterstraat liep ik naar de Sarphatistraat en daar, vlak voor de hoek met de Weesperstraat zag ik vijf struikelstenen ­oplichten in de zon. Vermoord maar niet vergeten. In de herfst van anderhalf jaar geleden liep ik langs de Amstel en de Hermitage. Na een korte aarzeling, ik durf het haast niet te zeggen, maar ik heb het niet zo op de Hermitage met al dat tsarengedoe en hun ­eieren van Fabergé, ging ik de poort door en betrad de binnenplaats.

Waar het stil was en twee grote kastanjes stonden. Op het gras lagen ze bij tientallen en ik vulde mijn zakken. Een al wat oudere dame zag het glimlachend aan en raapte er ook een op.

Wat ik me afvraag, is of ze mijn advies heeft opgevolgd. De meeste mensen houden niet zo van ­advies. Ik ken iemand die ik ruim vijfenveertig jaar geleden mijn ­lievelingsboek heb gegeven. Dat ze nog steeds niet heeft gelezen. Zoals ik zelf jarenlang het advies van Karel van het Reve om Sanders of the river van Edgar Wallace te lezen in de wind heb geslagen.

Volkomen ten onrechte, want toen ik het eindelijk las, bleek het een meesterwerk, schandelijk, maar een meesterwerk. Als de dame mijn kastanjeadvies heeft opgevolgd, kijkt ze nu, net als ik, naar het wonder van een ontluikende kastanjeboom. Had ze vorig jaar in haar virtuele bloempot nog een slap rood stengeltje, waar een kleine groene kroon op groeide, nu is er een stam en het glimmende bruin van de vette volle knop is opengebarsten om een bleke sigaar te onthullen die zich langzaam ontrolt tot generfde bladeren die teergroen hangen en dan als kleine ­parapluutjes worden opgestoken.

Geen groen zo groen als jong kastanjegroen. Als vrienden weet je vaak opmerkelijk weinig van elkaar. Je ziet elkaar ­iedere week, al ik weet niet hoe lang, je gaat wel eens ­samen uit eten en vijftig jaar geleden of daar omtrent ben je zelfs een keer met zijn vieren op vakantie geweest.

Als je je een beetje ­verveelt, zeg je: Maar hoe zij elkaar hebben leren kennen, weet ik niet. Nooit naar gevraagd, terwijl de manier waarop geliefden elkaar ontmoeten ­altijd een verhaal is, zie het vers No, No, Nanette van K. Of ze de Koper Nikusstraat kende en de Watte Au, vroeg ik haar per kerende post. Sinds ik in een parkeergarage een keer met een boksbeugel ben bedreigd door een filmregisseur, wie het was, zeg ik niet, maar hij heette Lars von Trier, kom ik niet graag in parkeergarages.

Maar ik zie ze graag. Als ik tussen Elandsgracht en Kinkerstraat de Kinkerbrug oversteek, kijk ik altijd met veel plezier naar de stralende slingeringen van de parkeergarage aan de Singelgracht, prachtig!

Niet veel later stuitte ik op Kippenfarm Rondeel, waarvandaan een pad liep naar het Orion College, speciaal in onderwijs. Grenzen in de stad, ze komen in soorten en maten, taalgrenzen, kleurgrenzen, inkomensgrenzen, spoordijken, geluidswallen, snelwegen, vaarten, en bouwputten dus.

Onlangs stak ik bij de Transvaalkade de brug over naar de ­Watergraafsmeer. Ik wist niet wat ik zag, zoveel lager als de Watergraafsmeer ligt dan de rest van de stad. Het hoogteverschil is zo groot dat je een trap moet nemen om beneden te komen. Vanuit de diepte keek ik naar de Ringvaart hoog boven me. Ik kon het niet ­geloven. Een straat is een straat is een straat. Geen speld tussen te krijgen, lijkt het, maar bij nadere ­beschouwing is het vaak ingewikkelder dan je dacht.

Wat is bijvoorbeeld de naam van de straat in kwestie? Het naambordje in deze voor elck wat wilsstraat spelt de naam aan de ene kant van de straat anders dan het naambordje aan de andere kant dat doet.

En waarom heet het enorme plein voor het bakstenen fort van de Jeruzalemkerk Jan Mayen- of Jan Maijenstraat, terwijl het ­Krugerplein bijvoorbeeld overduidelijk een straat is? En dan heb je nog de vraag hoe wij een straat believen te noemen. Als mijn moeder wilde dat ik naar de Bos en Lommerweg ging om bij Stam een ons Drosteflikken te ­kopen, zei ze: En de Nieuwezijds Voorburgwal heet de Nieuwezijds.

Het is heel raadselachtig allemaal. Maar een straat is een straat is een straat. Behalve als in je ­eigen straat de prunusbomen bloeien, aan de straatkant en in de binnentuin.

Dan kan je bijvoorbeeld zien hoe een al wat oudere man op het bureau in zijn werkkamer klimt en de ramen opent om vervolgens met een schaar een tak van de prunus te knippen die hij dan in de huiskamer in een vaas zet, een kleine roze wolk tussen de wolken roze voor en achter het huis. De jonge vrouw die vaak nog een meisje was en in de tram vlak achter de bestuurder stond, was meestal een beetje bleek en dik en kwam soms wat moeilijk uit haar woorden.

De bestuurder van de tram had er nooit moeite mee. Hij luisterde, beantwoordde alle vragen en bestuurde ondertussen de tram. Je kon zien dat het niet de eerste keer was dat ze achter hem stond en dat er zekere intimiteit tussen de twee bestond. Hij reisde met haar mee als de buffel met zijn witte reiger. Trambestuurders zijn wel wat gewend.

Denk aan de mannen met hun fototoestellen die op alle kruispunten hun lange lenzen op de tram richten om alles voor alle eeuwigheid in al zijn details vast te leggen. Piloten in hun vliegtuig zien hun spotters niet, maar trambestuurders zijn zich er voortdurend van bewust dat ze in de gaten worden gehouden. De jonge vrouw die of het meisje dat vlak achter hen staat, hoort daarbij.

Hoorde daarbij moet ik zeggen. Want ik zie ze bijna niet meer, die jonge vrouwen of meisjes die niet zozeer met de tram als wel met de bestuurder mee reizen. Wel stond er van de week de mannelijke variant van het meisje dat achter de bestuurder stond achter de ­bestuurder.

Hij keek heel zelfbewust uit zijn ogen en blokkeerde het incheck-apparaat. Ik ben geen jongeman, kunt u niet zien, dat ik een man ben? In de Valeriusstraat begon een merel te zingen, zoals merels dat kunnen in april en mei. Sprakeloos stond ik te luisteren toen de zang van een tweede merel klonk en de merels zo de stiltes in elkaar zang vulden met merelgezang. Ik dacht aan het eerste gedicht dat ik als gedicht heb ervaren, een gedicht van Jan Hanlo: In een vers over een prinses die in een toren op haar prins wacht, had ze soortgelijke problemen en toen schreef ze: Iedere woensdagmorgen om negen uur ging ik naar het huis van onze dochter om op onze kleindochter te passen.

Als mijn vrouw belde om te zeggen dat ze zich bij ons kwam voegen, zette ik de kleine in een wandelwagentje en liep met haar naar de tramhalte, waar we de komst van haar grootmoeder afwachtten.

Iedere tram die op de halte kwam, werd door ons uitgebreid bestudeerd. Zit ze er in of zit ze er niet in, dat was de vraag. Zat ze er niet in dan was de teleurstelling groot, maar als ik beloofde dat ze in de volgende tram zou zitten, was het weer goed.

Als ze daadwerkelijk uitstapte, grensde de vreugde aan euforie. Geen kind ooit was zo dol op haar grootmoeder als zij, behalve ik dan, zoals mijn geliefde fijntjes opmerkte.

Deze woensdag sta ik bij het Centraal Station gespannen op de 17 te wachten, waarin mijn geliefde zitten kan, maar waar ze ook niet in kan zitten. In de pauze tussen trams houd ik de gang van zaken beneden aan het water in de gaten.

De toeristen staan in lange rijen geduldig te wachten tot ze op de rondvaartboot mogen stappen die ze een uurtje door de grachten voeren zal. Er is geen gids meer aan boord, maar ik zie wel een ­microfoon. Ik wil het net gaan vragen als de 17 stopt die mijn geliefde brengt.

De stationsklok wijst kwart over twee. Over drie kwartier weten we naar welke middelbare school ­onze kleindochter gaat. Terug in Amsterdam denk ik terug aan Parijs en aan de jeugdige ober in café De Vos in de rue de la Verrerie die ten gerieve van twee Amerikanen eerst een varkenskarbonade nadeed om ze vervolgens op een volmaakte zwaardvis te trakteren.

Is de eens zo ­immens populaire komiek alweer vergeten? Wie zal nog weten, denk ik, terug in Amsterdam, dat in de Paleisstraat waar nu een Tours en Tickets zit decennia lang een ­gewaagde lingeriezaak zat.

Die lingeriezaak, in de Utrechtsestraat zat er ook een, was een van de verboden plekken van de stad. Er waren meer van dat soort plekken in de stad. In de Spuistraat vlakbij het Rokin bijvoorbeeld zat een winkel waar een groen kruis aan de gevel hing. Iedere jongen wist dat ze daar ­kapotjes verkochten. Je liep er naartoe om er dan zo snel mogelijk voorbij te lopen. Aan het einde van de Amstelstraat, vlak voor de Amstel, hingen vieze boekjes in een etalage.

Je kwam er langs als je naar het Waterlooplein ging. En iedere dag als ik naar de Eerste Vijf op de Keizersgracht fietste, kwam ik langs de tijdschriftenwinkel Univers op de Rozengracht. Wat daar allemaal niet te zien was, heb ik nooit gezien.

Ik had nog geen schilderij van hem gezien toen ik van Karel Appel al een hoge hoed op had. Als tienjarige of daaromtrent was ik een groot liefhebber van de knallende ruzies die losbarstten als op verjaardagen en dat soort bijeenkomsten zijn naam genoemd werd. Mijn tante Mies stikte er bijna in en dat was een goed teken. In de tijd dat ik iedere dag naar de bioscoop ging en op donderdag vijf keer, heette de maat der ­dingen in filmland B.

Tot mijn dertiende was tante Mies mijn B. Bertina, met dat verschil dat ik over Bertina als mens geen mening had, terwijl ik tante Mies haatte als spruitjes op zondag. Als tante Mies iets leuk of mooi of spannend vond, moest het wel vervelend, lelijk of saai zijn. En dat was het ook. Het eerste schilderij dat je dat daar te zien krijgt, toont twee kopvoeters en vijf dieren uit de Cobradierentuin. En o, wat een prachtig schilderij is Kleine hiep hiep hoera, dat in het Frans heel leuk Petit hip hip houra heet.

Mijn toch al hoge hoed is alleen maar hoger geworden. We waren even in ­Parijs en werden wakker met het klokgebeier van Notre Dame de la Croix die vanaf het einde van de straat de buurt overziet.

Een uurtje later gingen we er op uit. Eerst met de bus, om er een beetje in te komen, dan naar een tentoonstelling omdat nu eenmaal hoort en daarna het echte werk.

Een beetje rommelen en hier en daar aanleggen voor koekjes en geklets. Deze keer liepen we de rue de Grenelle uit, een lange straat die langs de Invalides voert. Als we de gouden koepel zien, vertel ik altijd dat ik het graf van Napoleon een keer heb bezocht.

Moest van mijn vader. Ik vond er niks aan, zoals ik nergens iets aan vond, qua oude gebouwen en lauwe thee dan, want meisjes bijvoorbeeld vond ik heel leuk. De koffie kwam met een cacaoboon die volgens mijn geliefde geen cacaoboon was, maar meer een soort snoepje. Prompt kregen we het over de koffieboon waar mijn moeder me op trakteerde als ik de koffie had gemalen.

O koffieritueel van lang geleden, alles was even heerlijk, van het met koffiebonen vullen van het koffiemolenreservoir tot het malen zelf en het tussen je tanden kraken van de koffieboon, waarvan de smaak al preludeerde op de geur van koffie die zo dadelijk het huis zou vullen. Toen wij aan het einde van de middag thuis kwamen, beierden de klokken van Notre Dame de la Croix ten tweede male. We waren even naar Parijs.

Om bij de Hallen de geur van uiensoep op te snuiven natuurlijk en in de ­Moulin Rouge de beentjes van de vloer te zien gaan, maar vooral toch om in de galerie in de rue de la Mare de kattenschilderijtjes te bekijken, en op de vide grenier in de rue des Pyrenées de Dinky Toy Concorde te kopen, waarvan zelfs de bewegende neus nog bewoog. Ik zit met een groot probleem. Ik ben inmiddels 16 en mijn penis in in erectie 13 centimeter.

Ik zie er goed uit en wil graag binnenkort met een leuk meisje sex hebben. Alleen ik ben zo bang dat ze niks voelt en dan schaam ik me zo. En zijn er wel condooms die ik aan kan? Hebben meer mensen hier ervaring mee? Zoek meer berichten van arP-socialist. Warsocket Bekijk openbaar profiel Zoek meer berichten van Warsocket. Dennis27 Bekijk openbaar profiel Zoek meer berichten van Dennis Outlaw Bekijk openbaar profiel Zoek meer berichten van Outlaw.

Door sex of pornofilmpjes krijg je waarschijnlijk een verkeerde indruk over de grote van de gemiddelde pik. En voor hoe veel een meisje voelt, gaat 't meer om de dikte. Condooms zullen ook geen probleem zijn; als je je zorgen maakt, zou je 't eens kunnen proberen hoe dan ook handig om te oefenen.

En verder, och, zo klein is 13 cm niets; iets ondergemiddeld maar. Ik denk niet dat je je echt zorgen hoeft te maken. Een meisje voelt pas niets meer als je een penis van 4 cm hebt geloof ik. Bovendien zijn er ook meisjes met kleine vagina's. Alleen meisjes praten daar niet zo vaak over met elkaar.

En de vagina van meisjes groeit als ze opgewonden zijn en kunnen ook nog wat uitrekken. Maar 13 cm lijkt me dus totaal géén probleem eigenlijk.

Dood aan de spellingcorrector! Zoek meer berichten van filia dei. Niks mis met 13cm. Als je er maar wat mee kan. Maakt niet uit hoe groot hij is, wel wat je ermee kunt.

Carrera Bekijk openbaar profiel Zoek meer berichten van Carrera. Jij bent 16, onervaren en niet zo groot, je vriendin is waarschijnlijk 16, onervaren en ook niet zo groot. Toen ik 16 was had ik absoluut geen behoefte aan een enorme lul, dat doet alleen maar pijn.

En hij groeit door tot je 18 bent. En een te logische conclusie: Misschien een optie gewichten aan je penis te hangen??? Energie Bekijk openbaar profiel Zoek meer berichten van Energie. Och, ik zit op 14cm. Kheb geen vriendin die het erg zou kunnen vinden, plus dat hij voor mij goed genoeg is En de dikte zit ook wel goed.


Ik heb een zwembroek die niet zo flubberig zit. Er zit een touwtje waar mee ik de bovenkant van mijn zwembroek strak kan aantrekken. Het is een goed idee om een nieuw topic te starten bij boys only om er evaringen uit te wisselen. Ik vraag me af of ie dan nog wel een beetje strak om je lichaam zit, want dat hoort toch bij een speedo?!

Ik lees op het forum over een zwembroek probleem. Ik heb een grote waar door jongens uit mijn klas grapjes over wordt gemaakt bij het douchen na sport. Normaal vind ik dat niet erg omdat ik een zwemshort over mijn zwembroek heen draag. Maar nu ga ik binnenkort naar Frankrijk op vakantie en lees dat ik alleen mijn zwembroek aan mag. Als ik alleen mijn zwembroek een soort speedo aan heb is mijn lul erg goed te zien.

Ik dacht eerst dat het nog wel mee viel maar als ik voor de spiegel sta zie ik toch echt een grote bobbel van mijn lul. Ik weet niet precies wat ik nu moet doen want ik wil toch graag zwemmen. In een andere zwembroek die ik heb is ook alles te zien. Ik ben ook bang in het zwembad een stijve te krijgen.

Wat moet ik nu doen? Moet ik gewoon maar met een grote bobbel in mijn zwembroek rondlopen of zijn er zwembroeken waar je alles niet zo goed ziet? TS en ik hebben allebei een goeie vriend meegenomen, toen wij gingen zoeken en passen. Dat heeft mij n ieder geval goed geholpen èn 't was nog leuk ook.

Het is makkelijker gezegd dan gedaan dat je je er niks van moet aantrekken, maar eigenlijk is dat wel de truc!! Ikzelf ben ècht nog uitgelachen in het zwebad, krijg wel n's aandacht doordat soms mensen kijken naar mijn bobbel, zal wel jalouzie zijn. Kijk of je een zwembroek kan vinden die je goed vindt staan, trek 'm aan in Frankrijk en duik erin!! Maak je daar nou maar niet zo druk over, geniet straks van je vakantie.

Mijn lul behoorlijk dik en 14 slap en 19 stijf. Dat is groot voor iemand van net 15 jaar. De maat is goed maar omdat ik tenger ben en alles in mijn broekje moet wegstoppen zie je mijn lul zitten.

Ik wilde dit proberen maar dat was niet echt een succes omdat de zon op mijn zwembroek scheen begon ik een stijve te krijgen. Ik kan tegen moeder zeggen dat mijn oude zwembroeken niet meer goed zijn en zelf voor een andere ga kijken.

Maar 14 slap is best wel lastig lang, weet er alles van want de mijne is 15 en omtrek ong Zoiets zal 't bij jou ook wel zijn? Maar ik ben 21 en groei niet meer, hoop voor je dat 't bij jou ook zo'n beetje zo blijft als het nu is!! Wat langere zwembroeken zou een goed idee zijn, met veel kleuren erin, helpt bij mij wel goed. Zwart is ook wel goed. Je vriend gaat mee, ik weet niet hoe goed jullie elkaar kennen en of jullie over dit onderwerp praten?

Hij gaat mee op vakantie, dus als hij jouw probleeem nu nog niet kent, dan zal hij het wel zien tijdens het zwemmen. Is het een idee om hem te vragen met je mee te gaan als je een nieuwe zwembroek gaat zoeken. En je ouders, die zal toch ook wel n's iets opgevallen zijn, kan natuurlijk dat jullie daar niet over praten. Bij elke gast die bijv. Hoort bij een jongen, toch?! Ik heb een donkere blauwe boxer type gekocht die niet zo glimmmend is. Hij zit ook niet te strak.

Ik heb zelf thuis voor de spiegel gestaan en je ziet alles een veel minder zitten dan in de kleine zwembroeken die ik nog heb. O ja mijn vriend weet dat ik een grote heb hij heeft mij wel eens naakt gezien. He jongens, als je zo grootgeschapen bent, want een lul van 22cm. Koop gewoon zo'n lycra Speedo o. En als je een stijve krijgt, so what?! Laat maar gewoon zien.

Ik denk dat er veel meiden opgewonden van worden!!! En op het naaktstrand zijn ze veel minder 'nieuwsgierig'. Ik zou jaloers zijn! Ik ben het helemaal eens met de jongen van Ik heb mijn lycra zwembroek goed gevuld en van mij mag iedereen zien dat ik een grote lul heb.

Ik kies juist zwembroeken waarbij je alles goed ziet zitten. Zo wel meisjes als jongens kijken. De meisjes omdat ze het opwindend vinden en de jongens omdat ze het jammer vinden dat ze ook geen grote hebben.

En als ik een stijve krijg dan is mijn zwembroek wel heel erg klein dan ga ik op mijn buik liggen of ga het water in. Jongen van 18, dank voor je zelfde ideeen alleen Laat maar zien dat je opgewonden bent en de meiden worden het waarschijnlijk ook van jouw stijve pik.

Voor een stijve schaam ik me zeker niet. Met een halve stijve in mijn zwembroek trek ik al de aandacht, maar om mijn halve lul grote eikel boven mijn zwembroek uit te laten komen vind ik net iets te ver gaan. Grappig dat jullie er eigenlijk helemaal geen problemen mee hebben dat iedereen goed kan zien wat je hebt.

In ieder geval beter dan de zwemkleding die de meeste gasten hier aan hebben. Ik snap niet zo goed waarom je je zou schamen voor een bobbel in je broek, terwijl de meeste dames lopen te pronken met hun borsten. Meiden lopen inderdaad te pronken en mijn moeder geeft commentaar op mijn volgens haar te strakke jeans omdat je mijn bobbel ziet,ja heb nu eenmaal een forse,maar van strakke truitjes van mijn zussen zegt ze niets.

Daardoor ik erg groot en fors ben voor mijn leeftijd,Ben ruim nu. Ben naar specialist geweest voor berekening ,mijn lengte kwam uit op cm en arts zei ik was enorm fors geschapen ,de lengte en dikte van mijn piemel,zie ik zelf ook, is nu 17 cm en erg dik. Zou uitkomen boven de 20 cm nu. Volgens hun niet echt handig voor later? Krijg nu hormonen kom vervroegd in pubertijd en groeien stopt en ergens denk ik ja ergens jammer misschien want grote piemel heeft niet iedereen maar voor meisjes lastig denk ik.

Maar 17 of 18 cm en dik is eigenlijk fors genoeg,maar had later grote kunnen hebben. Je kunt niet altijd de natuur zijn gang laten gaan soms moet je ingrijpen, maar snap je wel. Je hebt ook vrouwen met enorme borsten en die pronken ermee. En een pik mag niet gezien worden. Alsof alle maten gelijk zijn. Heb een gemiddeld formaat maar had best een super formaat willen hebben.

Heb op een rommelmarkt eens een duits blad gekocht met allemaal boys met XXXL. Jongen 21 weet niet welke reactie jij bedoeld.? Ik heb het niet over de dikte gehad alleen over de lengte. Ik krijg nu dus hormonen om vervroegd in de pubertijd te komen, zodat mijn lengte nu stopt op cm. Krijg nu ineens baardgroei en zware stem,dus ben nu volgroeid en mijn penis is 17 cm lang in vol ornaat.

Zonder hormonen was ik uitgekomen op tussen de cm en cm, en een penis van ruim 20 tot 22 cm lang. Volgens de arts dan. Mijn vraag is nu was dit eigenlijk erg geweest omdat ik groot en fors en alles best mooi vind eigenlijk of toch liever gemiddeld.

Ja je pik zou TE fors geworden zijn. Dat blijkt ook wel uit de gemiddelde lengte van ± 15cm. Dat is al lang genoeg, mits je ook een lekker dikke pik hebt. Aan de hand daar van kun je bepalen welke maat het beste bij jou past. Stuur mijn ervaring ook naar een hulpverlener. E-mailadres om je te antwoorden: Waarom staat mijn reactie niet direct online? Je reactie wordt eerst goedgekeurd door de beheerders. Op werkdagen duurt dat maximaal een uur. Klik hier voor de uitgebreide versie van de huisregels en je privacy.

Het zijn maar getalletjes toch. Of je haar pijn zult doen? Het gaat niet zo zeer om de lengte, maar wel om de omtrek. Ik zou me er niet druk over maken.

Ik heb  ongeveer dezelfde maten als jij en kreeg soms wel n's jaloerse blikken. Zo lang je er niet mee gepest wordt: Ik hoop dat ik je een beetje geholpen heb, als je nog wat wil weten, ik zal antwoorden.

Aanvulling Soms kan lengte wel pijnlijk zijn voor een meisje. Maar, reken maar dat de meeste meiden het mooi vinden om met jouw pik te mogen spelen. Condooms gewoon proberen Ja, het kost wat geld, verschillende condooms proberen, maar dan weet je gewoon welke maat het beste past. En wellicht dat je je vraag ook aan durex kunt mailen, die krijgen vast vaker zulke vragen. Niet de lengte maar de omtrek telt Als je een goed passend condoom zoekt gaat het niet zo om de lengte van de penis, de omtrek is bepalend voor de juiste condoommaat.

Bn zelf maar 1. Dat 't volgens hem niet kan, ach ja. Heb jij trouwens ook problemen met "waar laat je 'm?? Vind ik soms wel lastig, zeker als ie half stijf of zoiets wordt. En vroeger op school met douchen of nu met sporten. Werd er wel om gepest, al was dat niet ècht serieus hoor. Ervaar jij hetzelfde als ik?? Feve heeej   ja soms wel ligt er ook aan welke onderbroek ik aan doe. Ik heb ook wel eens een compliment er over gehad Ik ben er nog nooit mee gepest: Condooms moeten er toch gewoon zijn, je bent vast niet de enige?

Condooms heb ik nu gevonden dankzij de tip over een maat tabel: Ik ben blij dat jouw vragen zo 'n beetje beantwoord zijn. Wat je zei over zwemmen: Ik ben er vaak op vakantie geweest en ga er nog vaak heen. Gewoon doen zou ik zeggen en geniet!!! Zou toch wel triest zijn als je dat niet kunt omdat je toevallig groot geschapen bent?? Succes en groetjes van FEVE. Feve heej   Ja dat is indd waar ik een beetje tegen opkijk die bobbel: Hij heeft me er toen erg mee geholpen, ook omdat hij kon zien welke me goed stond.

We kwamen in ieder geval uit op een donkere kleur, san valt ie minder op. Sindsdien zwem ik waar en wanneer ik 't wil en als "ze "kijken? Laat ze, van schaamte naar trots. Zo ging het bij mij. Ik hoop ècht dat 't bij jou ook zo'n beetje die kant op gaat!

Een grote bobbel is naar mijn idee mooier dan zo'n kleintje, toch?? Weet je wat mij nog het meest verbaasde? Leuk om te ervaren, wou ik ff met je delen.

Laat maar n's horen hoe het verder met je gaat. Het zit tussen de oren, mentaal dus zoals je zegt. Anderen die dit lezen zullen misschien denken waarom we erop doorgaan. Ik vind 't belangrijk genoeg, dit onderwerp. Heb je een maatje meer. Ikzelf vind een grote mooi, zelfs een beetje stoer en zeker niet iets om je voor te schamen. Wat ik al zei: Een ander kijkt anders naar jou als jezelf, zoals je al zei. Maar, ga er naar toe als je er zin in hebt en eraan toe bent.

Doe waar je zin in hebt en laat je tot niets dwingen dat je niet wilt. Nee, ik denk 't niet. Dan ging ik óók of topic met 't naakstrand. Veel jongens vinden hun lengte te klein.. Ik zou er als ik jou was blij mee zijn En trouwens TS heej TS,   Eén ding is voor mij dan zeker, je hoeft je ècht nergens voor te schamen.

Ik denk dat 't je allemaal reuze mee zal vallen. Laat maar weer n's wat van je horen ennuhh. Het is ook niet dat ik er niet blij mee ben het is op sommige momenten nogal onhandig ;   of t lekker is mag het meisje bepalen: Gelukkig dat je er blij mee bent dat je een lekkere grote hebt. Heb jij eigenlijk het idee dat je nog aan 't groeien bent? FEVE Heeej   haha: Ik ben nl iemand die niet graag in de spotlights hoeft te staan als je snapt wat ik bedoel   Ik weet niet of ik nog groei Ik denk dat ik misschien nog ietswat zou groeien Zou best kunnen zijn dat je nog wat groeit, als ik jou zo hoor.

Ik hoop voor jou niet te veel. Leuk man dat je 'n zwembroek hebt gevonden!! Heb je die vriend van jou nog meegenomen eigenlijk? Lekker makkelijk dat je niet hoeft te leren voor wiskunde, haal je vast wel een goed cijfer!! Ja, leuk om te merken dat we aardig wat overeenkomsten hebben!! En als er mensen zijn die er naar kijken, moet je maar denken; Haha, had jij 'm maar!! Ben benieuwd om n's te horen hoe je eerste zwemparty gaat!!

Kunnen we altijd nog verder gaan met bijv. D   ja kben ook benieuwd komt vast goed: D   hahaha indd: TS  heej TS en natuurlijk óók iedereen die dit topic volgt   Ik heb weer n's gezwommen tijdens die paar warme dagen!! Kwam ik daar toch een leuke gast tegen. Nou ja, van het één kwam het ander, dus we hadden een date!! Wou ik effe kwijt. TS Hoi,   Ik zat alles nog n's door te lezen en vraag me af waarom je ma zei dat je een laatbloeier bent, ik bedoel. Ik ben de afgelopen week in Frankrijk geweest, op 'n camping met een super zwembad.

Lekker gezwommen, af en toe wel starende blikken gehad. Maar ja, wat heb je voor keus?! Zwemmen vind ik gewoon heerlijk. Er zat heel vaak een jongen van bleek later 18 jaar aan de rand van het bad. Dat wilde hij wel, als ik met 'm mee zou gaan. Dat vond ik best, dus wij op pad. Uiteindelijk, na veel gepas en gezoek vonden we een mooie voor 'm!! We zijn samen richting zwembad gegaan, samen erin gedoken en daarna was ie "door".

Hij was zó gelukkig, alsof er een nieuwe wereld voor 'm openging!! Waarom ik dit allemaal vertel? Omdat 't me zóóó blij heeft gemaakt, fijn toch op iemand gelukkig te zien?! Vrij van de beperkingen die hij had en die nu weg waren. Ik heb het idee dat er veel meer jongens zijn, die hier mee worstelen.

Zich er voor schamen en dus maar niet gaan zwemmen in bijv. Misschien een goed idee om over dit onderwerp een nieuw topic te starten??!! Graag jullie mening hierover. De laatste zin van wat ik schreef, staat er niet helemaal op: Het zal inderdaad wel jaloezie zijn bij de jongens die naar je kijken. Neemt voor mij niet weg dat ik 't soms vervelend vindt, die al of niet jaloerse blikken.

Voelt soms een beetje als een handicap, weet niet hoe ik 't anders moet omschrijven. Ik zal er m'n voordeel mee doen. Je zegt "fors geschapen", ongeveer zoiets al TS en ik?? Weet je trouwens een goeie titel voor de nieuwe topic? Leuk dat je 't een goed idee vindt!! Ik dacht aan iets al "zwemmen - speedo - bobbel". Heel even maar, want toen ze zestien was, ontmoette ze mijn vader en met hem ging ze lekker kanoën.

Het gekke is dat ik tegenwoordig gek ben op de AJC en uit dien hoofde een trouw lezer ben van Het gele blaadje, een blad van en voor oud AJC-ers van Nederland. In het zojuist verschenen 1 mei-nummer staat een verhaal van ­René de Cocq die er samen met een vriend in slaagt een 78 toerenplaat van Little Richards Tutti Frutti bij volksdansles binnen te smokkelen. Toen de volksdanslerares even weg was, legden ze de plaat op de Trio-Track en: Als door een wesp gestoken vloog Jos de gymzaal in, wit van drift, sissend: Zijn jullie nou helemaal gek geworden.

De winkel die beloofd had om tien uur open te zijn en waar ik om ik om tien uur voor de deur stond, bleek nog gesloten. Waarop ik tot een kleine wandeling besloot die mij na enkele stappen al voor de etalage van een postzegelwinkel bracht. In deze etalage vallen behalve postzegels vaak kleine zilveren voorwerpen te bewonderen als snuifdozen, ­sigarettenkokers, roomkannetjes.

Deze keer stond er een niet onaardig peper en zoutstel. Wat er ook stond, was een bakje vol priegelige muntjes. Vier keer geluk voor een tientje, een aanbod dat je niet kunt weigeren.

Groot geluk doorstroomde mij toen ik even later met mijn vier halve centen weer buiten stond, want daar, op het fietspad fietste een leuke jonge vrouw voorbij die in een hand een grote tak bloeiende perenbloesem meevoerde.

Fluitend liep ik naar het dichtstbijzijnde boekenkastje, waar het Schrijversprentenboek Jacobus van Looy al op mij te wachten lag. Thuis bekeek ik de plaatjes en ik las deze uit daterende tekst van Van Looy: En plotseling, met die stem eens dichters die de woorden zo lief heeft, zei hij: In de Spiegelstraat gaat het snel bergafwaarts.

Was het tot voor kort een straat vol mooie antiekwinkels en ­galerieën, nu worden er hamburgers verkocht en namaakkunst in ­namaak gouden lijsten. In de etalage van de buurman staat een enorme afdruk van de ­foto waarop Sophia Loren tijdens een etentje schuins in het decolleté van Jayne Mansfield zit te ­loeren.

Ik word altijd vrolijk als ik de foto zie en ik ben niet de enige. De ene toerist na de andere houdt de pas in om zich breed grijnzend voor de foto te laten fotograferen, waarna ze hun weg vervolgen.

Ik voeg me in de stroom, en loop mee in de richting van het Rijksmuseum. In de passage onder het museum klinkt een strijkkwartet. Een man blaast op een saxofoon, maar Sonny Rollins is hij niet. Aan de andere kant wachten de letters die tezamen Iamsterdam vormen en om de een of andere reden zijn uitgegroeid tot een van de grote attracties van de stad.

Terwijl ik het plein oversteek, denk ik aan de keer dat het ­gerucht door de stad ging dat de duizenden narcissen op het plein geplukt mochten worden.

Wat toen ook gebeurde. In drie tellen was het hele grasveld kaal. In de Van Baerlestraat ga ik naar binnen bij boekhandel Premsela, sinds een maand failliet. Ik ga nog in zaken op mijn oude dag. Ik houd van de geur van ­gravelbanen in de morgen. De tennisbanen van mijn jeugd lagen aan de Zuidelijke Wandelweg.

Vanuit de Bos en Lommer was dat een heel eind fietsen. Eerst de eindeloze Hoofdweg af, waar de zon altijd leek te schijnen, dan om het Surinameplein heen en de Overtoomse Sluis over. Aan de andere kant van het ­water stond een kerk, die later plaats moest maken voor Autopon, dat in Volkswagens deed.

Een eindje verder op de Amstelveenseweg was een manege waar het op woensdagmiddag druk was met paarden en kinderen. Als mijn moeder me bracht, en dat deed ze in het begin, vroeg ze altijd of ik niet op paardrijden zou willen. Dat wilde ik niet. Lijken die kinderen je niet leuk? Tenniskinderen waren al erg genoeg.

Ze vroegen je wel waar je woonde, maar als jij zei dat de Esmoreitstraat in west was, hadden ze meteen geen belangstelling meer. Toen ik alleen naar de tennisbaan mocht, ging ik, als ik niet naar school hoefde, vaak vroeg in de ochtend. Het was dan stil op de Wandelweg.

De voetbalvelden ­lagen er verlaten bij, maar op de tennisparken werd altijd ­gespeeld. Op het pad dat door het struikgewas naar ons clubhuis liep, hoorde ik het zachte geplof van de ballen en kikkergekwaak daar doorheen. Op weg naar hun boerensloot. Ik liep langs de Artis en al ­lopend keek ik naar de mensen die door de Artis liepen.

Ze hadden hun ronde ­gemaakt, van de apen, naar de leeuwen, langs de olifanten en ­giraffen, naar de zeeleeuwen en de pinguïns, en nu waren ze, hoewel ze nog lekker door de Artis liepen, op weg naar de uitgang. Naast me zat een man op zijn fiets. Naar de ­Plantage waar je naar de lepelaars kunt ­kijken. De meeste lepelaars stonden op hun eiland op een kluitje bij elkaar. Een stuk of drie zaten te broeden op een door mensenhanden gemaakt nest in een knotwilg.

Drie anderen liepen te snavelen in het ondiepe water dat hun eiland omringt. Behalve lepelaars liepen er kemphanen, patrijzen, een ­kievit, een paar kluten, twee ooievaars. Aan mijn kant van het hek was een fontein die op gezette tijden water spoot. Ik heb een tijd staan kijken en liep toen zonder om te kijken weg.

Als je de Artis binnenkomt, ­herinnerde ik me, bekijk je ieder dier en alleen al de aanblik van olifanten in de verte vervult je van ­opwinding. Als je niet de ronde maakt, maar dezelfde weg terugneemt, keur je dezelfde olifanten geen blik waardig. Door de Roeterstraat liep ik naar de Sarphatistraat en daar, vlak voor de hoek met de Weesperstraat zag ik vijf struikelstenen ­oplichten in de zon. Vermoord maar niet vergeten. In de herfst van anderhalf jaar geleden liep ik langs de Amstel en de Hermitage.

Na een korte aarzeling, ik durf het haast niet te zeggen, maar ik heb het niet zo op de Hermitage met al dat tsarengedoe en hun ­eieren van Fabergé, ging ik de poort door en betrad de binnenplaats. Waar het stil was en twee grote kastanjes stonden. Op het gras lagen ze bij tientallen en ik vulde mijn zakken.

Een al wat oudere dame zag het glimlachend aan en raapte er ook een op. Wat ik me afvraag, is of ze mijn advies heeft opgevolgd. De meeste mensen houden niet zo van ­advies. Ik ken iemand die ik ruim vijfenveertig jaar geleden mijn ­lievelingsboek heb gegeven. Dat ze nog steeds niet heeft gelezen. Zoals ik zelf jarenlang het advies van Karel van het Reve om Sanders of the river van Edgar Wallace te lezen in de wind heb geslagen.

Volkomen ten onrechte, want toen ik het eindelijk las, bleek het een meesterwerk, schandelijk, maar een meesterwerk. Als de dame mijn kastanjeadvies heeft opgevolgd, kijkt ze nu, net als ik, naar het wonder van een ontluikende kastanjeboom.

Had ze vorig jaar in haar virtuele bloempot nog een slap rood stengeltje, waar een kleine groene kroon op groeide, nu is er een stam en het glimmende bruin van de vette volle knop is opengebarsten om een bleke sigaar te onthullen die zich langzaam ontrolt tot generfde bladeren die teergroen hangen en dan als kleine ­parapluutjes worden opgestoken. Geen groen zo groen als jong kastanjegroen. Als vrienden weet je vaak opmerkelijk weinig van elkaar. Je ziet elkaar ­iedere week, al ik weet niet hoe lang, je gaat wel eens ­samen uit eten en vijftig jaar geleden of daar omtrent ben je zelfs een keer met zijn vieren op vakantie geweest.

Als je je een beetje ­verveelt, zeg je: Maar hoe zij elkaar hebben leren kennen, weet ik niet. Nooit naar gevraagd, terwijl de manier waarop geliefden elkaar ontmoeten ­altijd een verhaal is, zie het vers No, No, Nanette van K. Of ze de Koper Nikusstraat kende en de Watte Au, vroeg ik haar per kerende post. Sinds ik in een parkeergarage een keer met een boksbeugel ben bedreigd door een filmregisseur, wie het was, zeg ik niet, maar hij heette Lars von Trier, kom ik niet graag in parkeergarages.

Maar ik zie ze graag. Als ik tussen Elandsgracht en Kinkerstraat de Kinkerbrug oversteek, kijk ik altijd met veel plezier naar de stralende slingeringen van de parkeergarage aan de Singelgracht, prachtig! Niet veel later stuitte ik op Kippenfarm Rondeel, waarvandaan een pad liep naar het Orion College, speciaal in onderwijs.

Grenzen in de stad, ze komen in soorten en maten, taalgrenzen, kleurgrenzen, inkomensgrenzen, spoordijken, geluidswallen, snelwegen, vaarten, en bouwputten dus. Onlangs stak ik bij de Transvaalkade de brug over naar de ­Watergraafsmeer. Ik wist niet wat ik zag, zoveel lager als de Watergraafsmeer ligt dan de rest van de stad.

Het hoogteverschil is zo groot dat je een trap moet nemen om beneden te komen. Vanuit de diepte keek ik naar de Ringvaart hoog boven me. Ik kon het niet ­geloven.

Een straat is een straat is een straat. Geen speld tussen te krijgen, lijkt het, maar bij nadere ­beschouwing is het vaak ingewikkelder dan je dacht. Wat is bijvoorbeeld de naam van de straat in kwestie? Het naambordje in deze voor elck wat wilsstraat spelt de naam aan de ene kant van de straat anders dan het naambordje aan de andere kant dat doet.

En waarom heet het enorme plein voor het bakstenen fort van de Jeruzalemkerk Jan Mayen- of Jan Maijenstraat, terwijl het ­Krugerplein bijvoorbeeld overduidelijk een straat is? En dan heb je nog de vraag hoe wij een straat believen te noemen. Als mijn moeder wilde dat ik naar de Bos en Lommerweg ging om bij Stam een ons Drosteflikken te ­kopen, zei ze: En de Nieuwezijds Voorburgwal heet de Nieuwezijds.

Het is heel raadselachtig allemaal. Maar een straat is een straat is een straat. Behalve als in je ­eigen straat de prunusbomen bloeien, aan de straatkant en in de binnentuin.

Dan kan je bijvoorbeeld zien hoe een al wat oudere man op het bureau in zijn werkkamer klimt en de ramen opent om vervolgens met een schaar een tak van de prunus te knippen die hij dan in de huiskamer in een vaas zet, een kleine roze wolk tussen de wolken roze voor en achter het huis. De jonge vrouw die vaak nog een meisje was en in de tram vlak achter de bestuurder stond, was meestal een beetje bleek en dik en kwam soms wat moeilijk uit haar woorden.

De bestuurder van de tram had er nooit moeite mee. Hij luisterde, beantwoordde alle vragen en bestuurde ondertussen de tram. Je kon zien dat het niet de eerste keer was dat ze achter hem stond en dat er zekere intimiteit tussen de twee bestond.

Hij reisde met haar mee als de buffel met zijn witte reiger. Trambestuurders zijn wel wat gewend. Denk aan de mannen met hun fototoestellen die op alle kruispunten hun lange lenzen op de tram richten om alles voor alle eeuwigheid in al zijn details vast te leggen.

Piloten in hun vliegtuig zien hun spotters niet, maar trambestuurders zijn zich er voortdurend van bewust dat ze in de gaten worden gehouden.

De jonge vrouw die of het meisje dat vlak achter hen staat, hoort daarbij. Hoorde daarbij moet ik zeggen. Want ik zie ze bijna niet meer, die jonge vrouwen of meisjes die niet zozeer met de tram als wel met de bestuurder mee reizen. Wel stond er van de week de mannelijke variant van het meisje dat achter de bestuurder stond achter de ­bestuurder. Hij keek heel zelfbewust uit zijn ogen en blokkeerde het incheck-apparaat.

Ik ben geen jongeman, kunt u niet zien, dat ik een man ben? In de Valeriusstraat begon een merel te zingen, zoals merels dat kunnen in april en mei. Sprakeloos stond ik te luisteren toen de zang van een tweede merel klonk en de merels zo de stiltes in elkaar zang vulden met merelgezang. Ik dacht aan het eerste gedicht dat ik als gedicht heb ervaren, een gedicht van Jan Hanlo: In een vers over een prinses die in een toren op haar prins wacht, had ze soortgelijke problemen en toen schreef ze: Iedere woensdagmorgen om negen uur ging ik naar het huis van onze dochter om op onze kleindochter te passen.

Als mijn vrouw belde om te zeggen dat ze zich bij ons kwam voegen, zette ik de kleine in een wandelwagentje en liep met haar naar de tramhalte, waar we de komst van haar grootmoeder afwachtten. Iedere tram die op de halte kwam, werd door ons uitgebreid bestudeerd. Zit ze er in of zit ze er niet in, dat was de vraag. Zat ze er niet in dan was de teleurstelling groot, maar als ik beloofde dat ze in de volgende tram zou zitten, was het weer goed. Als ze daadwerkelijk uitstapte, grensde de vreugde aan euforie.

Geen kind ooit was zo dol op haar grootmoeder als zij, behalve ik dan, zoals mijn geliefde fijntjes opmerkte.

Deze woensdag sta ik bij het Centraal Station gespannen op de 17 te wachten, waarin mijn geliefde zitten kan, maar waar ze ook niet in kan zitten. In de pauze tussen trams houd ik de gang van zaken beneden aan het water in de gaten. De toeristen staan in lange rijen geduldig te wachten tot ze op de rondvaartboot mogen stappen die ze een uurtje door de grachten voeren zal.

Er is geen gids meer aan boord, maar ik zie wel een ­microfoon. Ik wil het net gaan vragen als de 17 stopt die mijn geliefde brengt. De stationsklok wijst kwart over twee. Over drie kwartier weten we naar welke middelbare school ­onze kleindochter gaat. Terug in Amsterdam denk ik terug aan Parijs en aan de jeugdige ober in café De Vos in de rue de la Verrerie die ten gerieve van twee Amerikanen eerst een varkenskarbonade nadeed om ze vervolgens op een volmaakte zwaardvis te trakteren. Is de eens zo ­immens populaire komiek alweer vergeten?

Wie zal nog weten, denk ik, terug in Amsterdam, dat in de Paleisstraat waar nu een Tours en Tickets zit decennia lang een ­gewaagde lingeriezaak zat. Die lingeriezaak, in de Utrechtsestraat zat er ook een, was een van de verboden plekken van de stad. Er waren meer van dat soort plekken in de stad.

In de Spuistraat vlakbij het Rokin bijvoorbeeld zat een winkel waar een groen kruis aan de gevel hing. Iedere jongen wist dat ze daar ­kapotjes verkochten. Je liep er naartoe om er dan zo snel mogelijk voorbij te lopen. Aan het einde van de Amstelstraat, vlak voor de Amstel, hingen vieze boekjes in een etalage. Je kwam er langs als je naar het Waterlooplein ging. En iedere dag als ik naar de Eerste Vijf op de Keizersgracht fietste, kwam ik langs de tijdschriftenwinkel Univers op de Rozengracht.

Wat daar allemaal niet te zien was, heb ik nooit gezien. Ik had nog geen schilderij van hem gezien toen ik van Karel Appel al een hoge hoed op had.

Als tienjarige of daaromtrent was ik een groot liefhebber van de knallende ruzies die losbarstten als op verjaardagen en dat soort bijeenkomsten zijn naam genoemd werd. Mijn tante Mies stikte er bijna in en dat was een goed teken. In de tijd dat ik iedere dag naar de bioscoop ging en op donderdag vijf keer, heette de maat der ­dingen in filmland B.

Tot mijn dertiende was tante Mies mijn B. Bertina, met dat verschil dat ik over Bertina als mens geen mening had, terwijl ik tante Mies haatte als spruitjes op zondag. Als tante Mies iets leuk of mooi of spannend vond, moest het wel vervelend, lelijk of saai zijn. En dat was het ook. Het eerste schilderij dat je dat daar te zien krijgt, toont twee kopvoeters en vijf dieren uit de Cobradierentuin. En o, wat een prachtig schilderij is Kleine hiep hiep hoera, dat in het Frans heel leuk Petit hip hip houra heet.

Mijn toch al hoge hoed is alleen maar hoger geworden. We waren even in ­Parijs en werden wakker met het klokgebeier van Notre Dame de la Croix die vanaf het einde van de straat de buurt overziet. Een uurtje later gingen we er op uit. Eerst met de bus, om er een beetje in te komen, dan naar een tentoonstelling omdat nu eenmaal hoort en daarna het echte werk.

Een beetje rommelen en hier en daar aanleggen voor koekjes en geklets. Deze keer liepen we de rue de Grenelle uit, een lange straat die langs de Invalides voert. Als we de gouden koepel zien, vertel ik altijd dat ik het graf van Napoleon een keer heb bezocht. Moest van mijn vader. Ik vond er niks aan, zoals ik nergens iets aan vond, qua oude gebouwen en lauwe thee dan, want meisjes bijvoorbeeld vond ik heel leuk. De koffie kwam met een cacaoboon die volgens mijn geliefde geen cacaoboon was, maar meer een soort snoepje.

Prompt kregen we het over de koffieboon waar mijn moeder me op trakteerde als ik de koffie had gemalen. O koffieritueel van lang geleden, alles was even heerlijk, van het met koffiebonen vullen van het koffiemolenreservoir tot het malen zelf en het tussen je tanden kraken van de koffieboon, waarvan de smaak al preludeerde op de geur van koffie die zo dadelijk het huis zou vullen.

Toen wij aan het einde van de middag thuis kwamen, beierden de klokken van Notre Dame de la Croix ten tweede male. We waren even naar Parijs. Om bij de Hallen de geur van uiensoep op te snuiven natuurlijk en in de ­Moulin Rouge de beentjes van de vloer te zien gaan, maar vooral toch om in de galerie in de rue de la Mare de kattenschilderijtjes te bekijken, en op de vide grenier in de rue des Pyrenées de Dinky Toy Concorde te kopen, waarvan zelfs de bewegende neus nog bewoog.

Na een wandeling langs het ­canal Saint Martin en door de rue du Faubourg du Temple die door mij als de mooiste straat van de stad wordt gezien, pikten we in de rue de Tourtille nog de reclame mee van een écrivan public plus een stralende muurschildering waarop Kuifje en Bobbie onder water in de als haai vermomde ­onderzeeër uit de Schat van Scharlaken Rackham zitten. Op de wandschildering luidde de titel van het album Nana et le trésor de Morad le Rouge. Aan het einde van de middag staken we de vermoeide voeten onder het terrastafeltje van een klein buurtrestaurant.

We hadden net besteld toen de bazin een meisje kwam brengen. Waarop het meisje in het Engels zei dat ze honger had en ergens iets wilde eten. Wat door mij werd uitgelegd als een verzoek om geld, maar dat was niet zo. Nadat ik haar uitgelegd dat ze bijvoorbeeld hier in dit restaurant kon eten, knikte ze tevreden en vervolgde haar weg. Toen onze rekening onderweg was, maakten we een schatting. Op weg naar mijn ­afspraak bij Sandwichshop Sal Meijer zag ik dat ze aan de Parnassusweg bezig waren het Paleis van Justitie te slopen.

Grote delen van het gebouw lagen al in puin, dat werd nat gehouden door mannen met brandslangen, terwijl er door kwaadaardig ogende machines stevig op in werd gehakt. Een enorme kraan ging een van de nog staande torens te lijf en stroopte het beton van het ijzeren skelet.

Het was een overweldigend schouwspel en even voelde ik de neiging om me aan te sluiten bij het groepje mannen dat je bij een schouwspel als dit pleegt aan te treffen. We kregen het over de avondwinkel die lang geleden aan de Stadionweg zat, bij het eindpunt van lijn Hij was een jaar of twaalf en het was Luilak toen hij met een paar vriendjes langs het eindpunt van de 24 was gekomen. De bestuurders en de conducteurs zaten allemaal in hun huisje en de tram had er zo leeg bij gestaan, dat ze de verleiding niet konden weerstaan en ingestapt waren en de tram vervolgens op de een of andere ­manier aan het rijden hadden gekregen.

Zes straatjongens in een lege tram die over de Stadionweg rijdt, de opwinding was zoveel jaar na dato nog voelbaar. Op de hoek van de Beethovenstraat hadden ze de tram stilgezet en waren er vandoor gegaan. Net op tijd om uit de handen van de politie te blijven.

Ik ben, goddank, Amsterdammer. Hetgeen het des te erger maakt als je niet weet waar een bepaalde straat zich bevindt, en nog erger, als je niet weet hoe je er komen moet. Ik wilde naar Rozenoord, aan het ­Ittmanpad. Ik wilde via de kortste weg en die ging achter de RAI langs, maar hoe kon ik uit de plattegrond niet opmaken, kaarttechnisch is het chaos achter de RAI.

De werkelijkheid bleek voor een keer een stuk eenvoudiger. Toen ik het Beatrixpark uitkwam, zag ik een viaductje, en toen ik er onderdoor ging, was er een pad waarvan ik vrijwel zeker wist dat het naar de Amstel voerde. Aan de overkant van de sloot die met het pad meeliep, stond het beeld van een man die zijn eigen stoel was en aan een tafeltje zat.

Het beeld stond op Zorgvlied, ­vertelden de grafstenen die even later opdoemden. Ik had de ­Amstel al in zicht toen ik achter een bosschage een vlaggenmast zag staan. Rozenoord, een rond pleintje bestraat met kinderhoofdjes die uitwaaieren vanuit het middelpunt. Tot eind schoten de Duitse bezetters hun gijzelaars bij voorkeur dood op plaatsen waar iedereen het zien kon en werden ­mensen vaak gedwongen toe te kijken.

Maar in het nieuwe jaar verkozen ze hun moordenaarswerk uit het zicht te verrichten. In de laatste maanden van de bezetting werden op deze stille plek aan de Amstel tussen de en mensen doodgeschoten. Na de bevrijding keerden de moordenaars terug naar Duitsland.

Er werd hun geen strobreed in de weg gelegd, zoals ook de mannen die op 7 mei vanuit de Groote Club een slachting aanrichtten op de Dam een paar ­weken later weer lekker thuis ­zaten.

Ik reed de Haarlemmerstraat uit, keek nog een keer naar Silver Screen, de enige winkel in de stad waar je als filmfan nog terecht kon en stak het Haarlemmerplein over. Ik groette Domela en hij zwaaide ­terug. Ik dacht aan de palingkar die hier vroeger stond en in de schemer een carbidlantaarn voerde. Eenmaal op het fietspad langs de Haarlemmervaart voelde het alsof ik de stad uitreed, wat zoals ik wist niet ging gebeuren.

Langs de vaart stonden lang geleden de gebouwen van de Boldoot waar mijn ­vader een blauwe maandag heeft gewerkt en van Drukkerij Van Munster, waar mijn kleine, kale grootvader de scepter zwaaide over de zetterij. Als kind ben ik wel eens wezen kijken. Het rook er naar inkt en lood, papier en smeerolie en de machines veroorzaakten een aangenaam gedreun. Over de gietijzeren ophaalbrug reed ik het terrein op van de Westergasfabriek. Daar, evenwijdig aan het spoor, staan een stuk of dertig bomen die elk voorjaar heel even hun witroze-witte bloesem laten zien.

De bomen zien eruit als evenzovele voorjaarsballonnen, gereed om op te stijgen. Er waren jongens aan het skaten, er werd gebarbecued, geflirt, gelachen. Een man in zijn eentje maakte van die van de Chinezen afgekeken gebaren, waarbij de gebarenmakers altijd heel zen kijken en toen stak er een klein koeltje op dat de bomen sterren sneeuwen liet.

Als de bloemen vallen binnenkort, leg ik ze op de schaal die op de tafel in de kamer staat, maar dat is binnenkort. Veel mensen hebben een dag in hun leven waarvan ze meer weten dan van de andere dagen uit hun leven. Meestal heeft dit te maken met de liefde. Denk aan 16 juni , een donderdag en de dag waarop Ulysses zich afspeelt omdat James Joyce op die dag zijn Nora Barnacle ontmoette. Mijn Bloomsday viel op vrijdag 26 maart Het was zwaar ­bewolkt die dag, er stond een ­matige westenwind en het was 9 graden.

In het Rembrandtplein Theater draaide De tanden van Dracula. Ik liep door de stad en deed of het lente was.

Op het terras kwam ik een oude vriend tegen die ik jaren niet ­gezien had, zodat ik iets later naar huis terugkeerde dan ik van plan was geweest. Weer iets later verliet ik het huis met een knallende deur en de mededeling dat ik nooit meer terugkwam. In café de Pieter in de Pieterspoortsteeg kwam tegen tienen het geluk binnenlopen. Na een lange nacht bleken de meidoorns rood en wit in bloei te staan en keerde zij van een boodschap terug met een fles whisky die 46 jaar later zijn identiteit terugkreeg, Famous Grouse.

Om de laatste vrijdag van maart te vieren. Jonge vrouwen op de fiets, Amsterdamser kan het haast niet. De haren ­wapperend in de wind, de handen aan het stuur, de voeten op de pedalen, de benen in rappe beweging. Ze vliegen door het verkeer als waren zij de Vliegende Hollander. En ­iedere liefhebber die het schouwspel in de gaten houdt, weet dat zijn ogenblik gaat komen. Ha, daar heb je het, de wind is onder haar rokken gekomen en ogenblikkelijk gaat de linkerhand van het stuur om de rok zijn plaats te wijzen en de benen te bedekken, zoals het hoort.

Bij bepaalde soorten tegenwind lieten de meisjes de rokken zelfs niet los, want hoe vrijgevochten ze ook waren, hoe kort de rokken ook die ze door de straten flanerend droegen, op de fiets je benen laten zien, dat was er mooi niet bij.

Toen kwam de mobiele telefoon. Plotseling bleken de meisjes hun telefoon belangrijker te vinden dan hun benen en in plaats van met hun linkerhand hun rokken op hun plaats te houden, sturen ze nu met links, terwijl ze met rechts hun telefoon vasthouden, om op te kijken, om te swipen, om iets te tikken, of om tegen hun oor­ ­gedrukt te houden en oeverloze gesprekken te voeren.

En zo rijden ze al dan niet over de stoep en al dan niet met een peuter achterop of een hele bakfiets vol, met wapperende haren en opwaaiende jurken in razende vaart door de stad. Iemand zei dat de Utrechtsestraat de mooiste winkelstraat van de stad is. Daar valt iets voor te zeggen, ­hoewel de Haarlemmerdijk wat mij betreft ook hoge ogen gooit. Opmerkelijk is dat beide straten lange tijd niet meer te redden ­leken.

In het begin van de jaren­ ­zeventig heb ik een tijdje in een ­erker gewoond op de hoek van Utrechtsestraat en Prinsengracht. De Utrechtsestraat was toen ­ernstig in verval. Overal in de straat stonden op instorten staande huizen in de stutten en de ­middenstand klaagde steen en been. De haringkar op de brug hield dapper stand, net als Oosterling en Krom, maar verder was het kommer en kwel.

In de schemer kwamen ze tevoorschijn, de verslaafde jonge mannen en vrouwen, de travestieten die in de Utrechtsestraat en op het Amstelveld de hoer speelden. Als ik het zijraam van de erker openzette, kon ik ze horen ­ruzieën, want ze stonden elkaar allemaal naar het leven. Om iedere klant werd gevochten en de drugshandel die aan de prostitutie vooraf ging en er op volgde, ­verliep ook niet zonder problemen.

Ik was ervan overtuigd dat het slecht zou aflopen, dat de verkrotting door zou zetten en dat de hele bliksemse boel tenslotte gesloopt zou worden. Maar als een dood gewaande boom kwam de straat weer tot ­leven en werd tot wat hij nu is, een van de mooiste winkelstraten van de stad. Ze heeft er dan vier niet bijster vrolijke maanden opzitten in Coventry en Bath, waar ze als kindermeisje werd gebruikt terwijl haar Franse en Engelse conversatie en het ­spelen van quatre-mains in het vooruitzicht waren gesteld.

Maar eenmaal terug in het ­vaderland heeft ze er weer zin in. In Lief dagboek, beste kameraad, haar onlangs gepubliceerde dagboek uit die dagen, vertelt ze hoe ze op het station de Engelse dame uithangt. De man is meteen in alle ­staten. Ik heb maar met haar gesproken jong. Voor mij was dat een reden om zo snel mogelijk lezen te leren, dan had in mijn moeder bij Joop ter Heul niet meer nodig. De stad kent vele fraaie kruispunten, denk aan de kruising van Admiraal de Ruyter en Bos en Lommer, van Ceintuurbaan en Van Wou, van Rijnstraat en Vrijheidslaan, prachtige kruispunten allemaal, maar het mooiste kruispunt is toch de Krommerdt, en dat terwijl de Krommerdt helemaal geen kruispunt is.

De voortreffelijke Witte de With ligt net verkeerd om de Krommerdt tot een echt kruispunt te maken, net als de Van Speijk. De Krommerdt is een ­gemankeerd kruispunt, denk ik. Vanuit mijn geheime uitkijkpost zit ik vaak uren naar de Krommerdt te kijken. Ik zie de 12 en de 14 de hoek omkomen en de hoek omgaan. Ik zie bus 18 stoppen op zijn haltes. Soms komen tram en bus tegelijk op de kruising aan, wat een spectaculair schouwspel geeft, want de bocht is te kort om ze tegelijk door te laten, dus een van de twee moet inbinden.

Meestal is het de bus. Terwijl ik zo zit te kijken, denk ik vaak aan de tijd dat ik me als jongentje op bezoek bij mijn grootouders die op de Rozengracht boven de brandweer woonden op dezelfde manier vermaakte. Op de eerste echte voorjaarsdag zag ik hoe een citroenvlinder de ­Hacquartstraat uit kwam vliegen. Gelukkig ging hij wel in razende vaart, want dat is voorwaarde twee voor het zien van de eerste citroenvlinder. In het Vondelpark zag ik even ­later de eerste korte broek. Dat is ook zoiets, de korte broek.

Ik had vroeger een vriend die mij in dit jaargetijde opbelde met de vraag of ik de korte broek al aan had. Hij wel, ik meestal nog niet. Thuis, oké, in de tuin, alla, maar in de Leidsestraat? Ik herinner me een vakantie-uitstapje met mijn ouders dat ons ­anno van Perpignan naar Barcelona voerde. Op de kaart kon je duidelijk te zien dat het tweeënhalf uur rijden was naar Barcelona. Maar toen we na zes uur rijden de stad binnenreden, gingen net de rolluiken omlaag.

Mijn vader vloekte en parkeerde langs de Ramblas, waar alle passerende mannen een pak bleken te dragen. Hij was in korte broek. Dat kwam niet meer goed die dag, want ter plekke een pak kopen ging hem te ver.

Via de Kinkerstraat ging ik op huis aan, maar voor ik mijn fiets in het rek zette, keek ik in de Boekenpoort of er nog iets te halen viel. De Penguin-uitgave van Anna Karenina. Met het boek in mijn hand betrad ik de binnentuin en keek naar de magnolia die op openbarsten staat. Ik stond een afwasje te doen en dus stond ik te zingen, want als ik afwas, zing ik.

Een dag later had ik een afspraak met een vriend die vertelde over iemand die iets fout had gedaan en naar hem toegekomen was om te zeggen dat hij het fout had ­gedaan. Mijn vriend keek me niet begrijpend aan. Als je op een landje voetbalde met twee hoopjes jassen als doelpalen waren er ­altijd oeverloze discussies of ie zat of dat de bal over was gegaan of ­tegen de niet bestaande lat, dat ie tegen de paal was of binnenkant paal, en soms was er dan iemand van de tegenpartij die zei dat ie zat: Dat kende hij ook niet, waarop ik het voor hem ­gezongen heb, dat wil zeggen het eerste couplet, waarna we de ­resterende tijd vulden met een discussie over anonieme taalkunstenaars van lang geleden.

Zo kwam het dat ik voor de derde keer in drie dagen hetzelfde liedje zong: Zojuist Schoolidyllen van Top Naeff gelezen, een mooi meisjesboek uit De andere meisjes uit de klas zijn er vier later nog niet overheen. Ik weet nog dat Henk Vos en ik, toen we meneer Smit, onze zieke onderwijzer uit de vierde klas, een cake hadden gebracht en van de James Rosskade langs de Erasmusgracht terugliepen naar onze school in de Egidiusstraat, danig onder de indruk waren. Meneer Smit moest wel heel erg ziek zijn als hij ons niet wilde zien.

Maar daarna is meneer Smit geruisloos uit ons leven verdwenen. Ik kan me niet herinneren dat er over zijn dood is gesproken, zijn begrafenis of crematie hebben wij niet bijgewoond. Wij hadden het druk met het ­plagen van de onafzienbare stoet kwekelingen die meneer Smit kwamen opvolgen. De laatste in de rij heette Wijnands. Bij hem moest ik voorlezen uit De bloeiende perelaar, een leesboekje van Jan Mens.

Na afloop van de les vroeg ­meneer Wijnands me wat er zo grappig was geweest. Ik heb geantwoord dat ik het niet wist. Vannacht, in de ongehoorde stilte van de nacht, moest ik denken aan meneer Smit. In de derde hadden we mevrouw Besier gehad, de schrik van de school. Moeders namen hun kinderen van school als ze hoorden dat ze Besier kregen.

Ze was diep in de tachtig toen ze me een keer opbelde en zei: Mevrouw Besier wordt door mij nog altijd beschouwd als de leukste leraar uit mijn schoolcarrière. Meneer Smit was een kleine man met een kaal hoofd en krijt op zijn jasje, het prototype van de ouderwetse onderwijzer. Hij liet zich graag meeslepen door zijn eigen verhalen, over de Witte van Haemstede en de slag op het Manpad of de moord op de voltallige bevolking van de vesting Naarden tijdens de Tachtigjarige Oorlog.

Op zijn best was hij tijdens de zangles. Na het ritueel stemmen met de stemvork dirigeerde hij ons met de blokfluit, een instrument dat hij zelden bespeelde. Twee van ons mochten dan op de gang staan om de echo te vertolken: En toen werd meneer Smit ziek. Wat hij had, wisten we niet, maar misschien kwam hij niet meer ­terug.

Zijn vrouw deed open en bedankte ons voor de cake. Meneer Smit kregen we niet te zien. Als Theo op zaterdag naar voetballen ging, zijn kicksen hingen dan met de veters aan elkaar ­geknoopt om zijn nek, kwam hij in de Linnaeusstraat langs de Bio.

Zijn ome Ko werkte daar als portier. De portier was de als generaal uitgedoste man naast de kassa ­tegen wie je zei dat je twee parket wilde, waarna hij dat tegen de kassière zei die dan tegen de portier zei dat dat samen vier gulden zestig maakte, wat de portier weer ­tegen jou zei, waarna je vijf gulden neerlegde die de portier doorschoof naar de kassière die de kaartjes terugschoof plus een kwartje, een dubbeltje en een ­stuiver.

Als de portier je je kaartjes overhandigde, pakte jij je wisselgeld, waarbij je een van de drie muntjes liggen liet. Ome Bennie had er een stoflong aan overgehouden, en als hij op zondagmiddag met zijn broer naar het café op de hoek was geweest, moest hij daarna door de mannen de trap op worden gedragen om weer thuis te komen.

Toen dat niet meer ging, werd hij portier bij de ingang van het Aquarium in Artis. Maar voor het zo ver was, had hij de grafsteen gehakt voor de twee broers die hem voorgingen in de dood. Sommige buurten lijken wel verlaten, zo stil is het in de straten en op de pleintjes. Geen kinderstemmen, geen winkels, geen mannen aan het werk. Om de een of andere reden waan ik mij hier altijd in een ­roman van Willem Frederik ­Hermans. Komt het door de welhaast onheilspellende stilte of is het toch de lichtval?

Door de Grevelingenstraat ga ik, en door de Roompotstraat naar de Volkerakstraat en dan weer terug naar de Deurloostraat. In de ­Volkerakstraat staat een meidoorn van top tot teen in blad, terwijl de andere meidoorns in de straat het nog op knoppen houden.

Ik steek de Scheldestraat over en de Maasstraat. In de Waalstraat ga ik rechtsaf. Aan de andere kant van de Kennedylaan vervolg ik mijn weg op de Mirandalaan. Langs de Joop ter Heul-villaatjes aan de Zuidelijke Wandelweg ­bereik in de Amstel, waar ik even stil houd om naar het sluisje ­achter de Wandelweg te kijken.

Hoe vaak zal ik met haar de Fluwelen hoofdlaan zijn afgelopen? Niet eens zo vaak denk ik. We gingen dan naar onze dode vriendin en later kwam haar dode vriendin Marina erbij.

Zo halverwege tussen de twee graven liggen de graven van Maria Catharina de Witte-Schouten en mevrouw C. Tussen die twee was nog een plekje vrij. Op het paaltje dat de plek markeert, staat: Daar wordt ze vrijdagmiddag begraven, Kitty Courbois. Literatuur in opdracht, maar een meesterwerkje, met een slap slot helaas. De slakken die wij met ons ­gezang uit hun huisje probeerden te lokken, vonden we in het hoge gras langs de Erasmusgracht die toen nog geen gracht was, maar een kronkelige sloot met boerderijen aan de andere kant van het water.

In dat gras begonnen in de zomer een soort aren te groeien, als van koren, maar dan groen. Om de een of ­andere reden bleef de are niet waar hij was, maar werkte hij zich in de trui langzaam omhoog wat tot een vermakelijk soort jeuk leidde bij de nietsvermoedende truidrager. Het was verbonden aan het moment van opstaan: Daar klopt iets niet, zoveel is duidelijk, maar wat, ik weet het niet. Ik weet niet veel. Ik fietste langs de Reijnier Vinkeleskade. Ik keek naar de ganzen die voorbij peddelden, naar de man die op een bankje zat en gefilmd ging worden, een hele cameraploeg voor zichzelf, ik hoorde mezen slaan.

Maar omdat ik het verschil niet kan ­horen, hoor ik mezen slaan, zoals ik ook ganzen voorbij zie peddelen, en nooit vlinders zie, maar een atalanta, een dagpauwoog, een ­citroenvlinder.

Mijn verlangen naar atalanta, dagpauwoog, citroenvlinder knaagt zijn voorjaarsknaag. Af en toe ga ik stiekem naar de Bilderdijkstraat in de hoop daar de ­triomfantelijke vlucht van de ­eerste citroenvlinder te aanschouwen, want de eerste citroenvlinder vliegt altijd in de Bilderdijkstraat, maar ik ben te vroeg, ik weet het, geduld, geduld, de lente komt eraan.

Als ik de brug naar de Breitnerstraat ben overgestoken, kom ik langs de Montessorischool. Er staan twee meisjes aan het hek, allebei een jaar of tien. De man met wie ik te ­praten zat, stond.

Ik had het over het kappersleed uit mijn jonge ­jaren en vroeg hem of hij oud ­genoeg was omdat ook te hebben meegemaakt.

Hij kwam uit de Pijp, waar ze met zijn vijven een halve woning ­bewoonden, tot ze naar het Duivelseiland waren verhuist. Naar Zuid, waar de deftige mensen woonden.

Ze waren katholiek thuis en hij had op de Stadhouderskade op een katholieke school gezeten. Naar de kerk gingen ze in de Sint-Willibrorduskerk buiten de Veste op de hoek van de Ceintuurbaan en de Amsteldijk. Al die kerken waren zo groot, op het Leidseplein, aan de Van Lennepkade, het Vondelpark, allemaal gesloopt. Die kende hij, waarop ik hem het verhaal ­vertelde dat een andere man van ­katholieke huize me onlangs had verteld. Op zijn zondagse schoenen had hij gevoetbald op het pleintje voor de kerk.

Maar met vieze zondagse schoenen kon je niet thuis komen en daarom had hij ze toen in de kerk afgespoeld in de wijwaterbak. Hij had ook de deur gevonden naar de ruimte van het klokkentouw. Hij was aan het touw gaan hangen, en toen er helemaal niks gebeurde was hij zijn broertjes en zusjes gaan halen. Het trosje ­kinderen aan het touw had de klok een klingeltje ontlokt. In het café waar ik kom sinds ik weer in een café kom, stond een jonge vrouw ­achter de bar die ik niet eerder gezien had.

Nadat ze me een borrel had ingeschonken, keek ze een tijdje dromerig naar buiten. Vanuit de serre werden twee wodka jus de rans besteld. Ze zocht de juiste glazen, deed er ijs in en pakte toen de wodkafles. Even later hoorde ik haar sinaasappels uitpersen.

Je zag elkaar alleen bij snoepkraam. Mieke schonk hem zijn jonge met ijs in en een klant zei: Als ik met de 12 over de Admiraal de Ruyterweg raas, kijk ik bij de Boomkerk altijd of Maria er nog is. Ze staat afgebeeld op een tegeltableau dat niet aan de eigenlijk kerk hangt, maar aan een aanpalend gebouw, een oude school denk ik.

Er zijn steden waar je geen stap kunt zetten zonder dat de Maagd je vergezelt, Valencia, Florence, Brugge. Op iedere straathoek staat ze op de sikkel van haar maan, het kind vaak op de arm, van steen, van hout, geschilderd en altijd in het blauw. Als het om Maria gaat verloochent Amsterdam zijn beeldenstormend verleden niet. In de resterende kerken is ze overal, op straat zal je haar niet vaak tegenkomen, maar soms is er een verrassing.

Op de Oudeschans, vlak voordat de Montelsbaansbrug het spektakel toont van het water tussen ­Oude Waal en Binnenkant, is een smalle sleuf die toegang geeft tot een groot speelterrein. Vaders en moeders zitten er op bankjes naar hun voetballende kinderen te kijken en de kinderstemmen klinken op naar de achterzijde van de huizen van de Oude Waal, de Montelbaanstraat en de Recht Boomssloot. Er staan lage loodsen langs de sleuf en lage huizen met voortuintjes en deuren waarvoor je een trappetje op moet.

Helemaal aan het einde van de sleuf, aan de ­gevel van het laatste huis, trof ik een portaaltje met een Maria van verweerd steen, met een verweerd stenen kindje op haar arm. Ze hing een beetje scheef, zag ik, maar ik heb haar recht gehangen. Na deze goede daad vervolgde ik mijn weg, naar het Oosterdok om te kijken of De Stoute Prins nog ­afgemeerd lag aan het einde van zijn strekdammetje.

Het mocht niet zo zijn. Als ik als zestienjarige ­tegen iemand zei dat ik bij de Johan Huizinga-laan woonde en die ­iemand zei dan: Dat was deftiger, geloof ik.

We woonden in de Helena ­Mercierstraat, wat we uitspraken als Helena Mersjee. Vorige week pas kwam ik tot de ontdekking dat je het ook kan uitspreken als Mersier. Het heeft even geduurd, maar ik troost mezelf met de gedachte dat er mensen zijn die Berlage hun leven lang op stellage laten ­rijmen.

Ik sta niet alleen waar het om uitspraakproblemen gaat. De Helena Mercier was een doodgewone straat in een saaie buitenwijk, maar de straat kende toch enkele attracties.

Ik geloof dat Max Woiski Jr. Woiski was een flamboyante ­verschijning die op zijn balkonfeesten altijd door mooiste vrouwen werd omringd. Ik hoopte ­altijd dat ze zouden ­vragen of ik geen zin had om ook wat te komen drinken, nee dus. Heddy Lester was een jaar of elf in die dagen en als haar vader en moeder gingen stappen, mocht ik op haar en haar broertje en zusje passen.

Vooral door het zonnige karakter van de goedlachse zangeres in spe was het een leuke klus, waar ik nog geld voor kreeg bovendien. Onlangs was ik even in de Helena Mercierstraat. In ons huis woont nu de familie A. Verder is er in de straat weinig veranderd. Bij de jongen van de viskar op de markt bestelde ik drie ons pelgarnalen. Onzeker liet hij zijn blik dwalen over rog en heek, poon en griet, mul en tarbot om ten slotte bij de zak garnalen te belanden.

Bij de bloemenman aan de overkant lagen bosjes gemengde tulpen. Omdat ik iemand ken die zeer op gemengde tulpen gesteld is, zocht ik een bosje uit. Weer thuis kregen de tulpen hun vaas, een lage vaas met een wijde hals, lang geleden geërfd van een vriendin die niet langer wilde ­leven.

Inmiddels waren de tulpen, tien in getal, hun tulpendans begonnen, zoals de liefhebster van ­gemengde tulpen dat belieft te noemen. De steile stelen maken een naar buiten gerichte knik, ­zodat de afstanden tussen de ­bloemen groter worden en wisselend, waarna de tulpen in zes kleuren, enkel of dubbel, zich ontvouwen, een springerige affaire al met al.

De tulpen staan nu in volle ­glorie, de tulpendans in volle gang, maar het verval is al ingezet en over niet al te lange tijd zal het eerste bloemblad loslaten en vallen, tulpen. Hoe het kan, weet ik niet, maar het Funenpark is me altijd ontgaan. Ik was even ­wezen kijken bij het Schelpen-­museum in de Czaar Peterstraat en toen dat gesloten bleek te zijn, was ik overgestoken naar de Blankenstraat die mooi uitkijkt op De Gooyer, waar ik achter een hek een heus park zag liggen.

Dat er eerst niet was, of ben ik nou gek? Er stonden reusachtige stalen sculpturen in het park en aan de randen lagen diverse scholen, ­ieder achter zijn eigen hek. Het was er lekker rustig, en daarom lekker fietsen, misschien wel, ­bedenk ik achteraf, omdat fietsen er verboden is.

Toen ik de uitgang naderde, werd mijn aandacht getrokken door een bakstenen schoorsteen als van een oude fabriek met daarop een beeld dat op het punt van wegvliegen leek te staan. Is het een vogel, dacht ik, is het een vliegtuig? Nee, het is Bicycle Repairman! Waar ik natuurlijk niks mee opschoot. Nadat ik het beeld van alle kanten had bekeken, ­besloot ik dat ik er niet uitkwam. Achter het hek van de tuin voor het gebouw met schoorsteen en beeld stond een jonge vrouw.

Het is een monumentaal pand en een kinderdagverblijf. Dat wist ze niet. Op een middag laat in stond ik café de Pool toen ik een groenbesnorde tuinkabouter hoorde zeggen: Nou is ie weer dood. Maar daar gaat het nu niet om. Waar het om gaat, is dat iedereen maar dood gaat.

Eerst ging Reineke van der Linden dood. Ik memoreerde haar snoeiharde backhand. Die al vier dood bleek te zijn. De moeder van een goede vriend ging dood. Letty Kosterman ging dood. Ik dacht aan haar vriendelijke stem. Piet Keizer ging dood. Ik deed de schaar. Steye Raviez ging dood.

Ik zag zijn grijze ogen. Henk Elsink ging dood. Loetje Klinkhamer viel van de trap. En toen ging Misha Mengelberg dood en was het even weer of daar omtrent. Hoe hij mijn leven toen is binnengeslopen, weet ik niet meer, maar ineens was hij er. Een sigaretten rokende zenuwlijer van een pianist die krom gebogen boven de toetsen zat.

Hij had een trio, maar de ­bassist kan ik me niet herinneren. Hetzelfde geldt voor de drummer. Harry Piller, zie ik na lang zoeken. Ze kwamen en gingen, en wij volgden. Geen tijd voor geouwehoer, Mengelberg was onbenaderbaar. Wat hij deed, de held van mijn jeugd, leek op Monk, maar dan anders. In de tram op weg naar de Campertstraat vertelde Theo dat hij nog met Piet Keizer in de klas had gezeten. Maar hij kon goed voetballen.

Het gekke was, dat hij als iemand er eens in slaagde de bal van hem af te pakken, woedend werd. Net als Hans Ree trouwens. Maar die nemen we niet.

Dat wilde hij niet. Waarom zou iemand niet door de Tilanusstraat willen lopen, vroeg ik mij af. Mijn grootmoeder kwam liever niet op het stuk ­Nassaukade tussen de De Clercqstraat en de Da Costakade, zij had daar een dienstje gehad bij een dokter, maar Theo zijn vader, wat had die? Andreas Bonnstraat 13, een hoog had een voorkamer, een tussenkamer, een achterkamer en een zijkamer. Daar hadden ze met zijn achten gewoond, vader en moeder, vijf kinderen en een opa.

En schuin daaronder een jongen die graag meisjeskleren aantrok en dan bij ons thuis met mijn zusters poppen kwam spelen. Schrijvers die een boek in de boekwinkel hebben en een boekwinkel bezoeken, kijken altijd met een oog of ze hun boek zien liggen.

Sommige schrijvers laten het niet bij dat ene oog, maar willen ook zien dat hun boek een keer verkocht wordt. Na het verschijnen van Brief aan mijn moeder, zijn eersteling, had Ischa Meijer zich daartoe verdekt opgesteld op de boekenafdeling van De Bijenkorf. Een hele tijd ­gebeurde er niks, maar toen, Ischa vertelde het verhaal met verve, verscheen er een dame die bij zijn stapeltje halt had gehouden. Kijk, dat was leuk. Niet dat ik me enige illusie maakte, plaatsjes bij de AKO zijn schaars, maar een weekje Mooi Meegenomen was mooi meegenomen.

Maar zie, na drie weken lag Klein geluk er nog steeds, en negen weken later ook nog. Vorige week was het voorbij. De laatste drie exemplaren stonden op hun kant tussen de nieuwe AKO sellers, het was mooi ­geweest. De man die in de garderobe van het restaurant naast me stond te wachten om naar zijn tafel te worden gebracht, ging ­vergezeld van twee authentieke Kinkerstraatjes, allebei blond en heel veel goud.

De man kwam me ­bekend voor, maar pas toen hij iets zei, herkende ik hem, Gerard ­Joling. Nadat het trio in het ­restaurant was verdwenen, werd ik naar mijn tafeltje gebracht, waar ik de rest van het gezelschap afwachtte. Het restaurant dat aan het ­Kleine-Gartmanplanstoen ligt, was Frans. De rode bistrobanken langs de wanden en de stem van Charles Aznavour uit de luidsprekers lieten daarover geen twijfel.

Alleen aan mijn tafeltje dacht ik terug aan de snackbar die hier vroeger zat op de hoek van de Ziesenis­kade. In de snackbar stond een plastic bol die als je hem een kwartje voedde een bekertje neerzette en het vulde met sinaasappelsap. Maar de man die kwartjes in de machine gooide, haalde het bekertje iedere keer weg zodat de sinas klaterend over de toonbank stroomde. Toen hij door zijn kwartjes heen was, had ik hem mijn kwartjes gegeven. Een ­melancholieke sinasrivier, half drie in de ochtend, in een lente van lang geleden.

Die voerde langs zijn geboortehuis naar de school waar hij op had ­gezeten en zo naar het café waar hij zijn debuut had gemaakt. Wij volgden, waarbij wij hem af en toe inhaalden en hij ons, maar steeds werden we vergezeld door het heerlijke geluid van een klepperende brievenbus. Op de hoek met de Peperstraat probeerde ik me te herinneren hoe het Spaanse restaurant dat hier vroeger zat ook alweer heette. Het zat tegenover een van de eerste kraakpanden van de stad.

Een goede vriendin, ze was toen zestien, maakte hier haar erfenis ­soldaat. Toen het geld op was, sprong haar Amerikaanse vriend van het dak. Met haar is het ook slecht afgelopen. Aan het einder van dit stuk ­Rapenburg kwamen ons twee ­bereden polities tegemoet. De vriendelijke krantenjongen had zijn wijk erop zitten, hij keerde en het beste paard laat ook wel eens iets vallen, zo bleek. Nadat we de snelweg waren overgestoken, ­liepen we de Anne Frankstraat in. Van alle trooste-­loze naar grote schrijvers genoemde straten van onze stad is de ­Anne Frankstraat wel de ergste.

Het schemerde toen we in ­verband met de bus terug het ­Kattenburgerplein bereikten. Het plein lag geheel verlaten en vandaar dat we ons een hoedje schrokken toen we ineens een stem hoorden. Ik keek om ons heen, niemand, toch was er de stem, die zo te horen uit het Gooi stamde, maar beweerde op ­Kattenburg geboren te zijn. Uit een put kwam een blauwig schijnsel. Aliens op het Kattenburgerplein? Haastig kozen we het hazenpad. De vrouw droeg een hoed met een bontrand, een halflang bontjasje en een grijze rok.

Haar ­lippen waren gestift, haar nagels gelakt en over haar wangen lag een vleugje poeder. Ze deed me denken aan mijn moeder toen die tegen de tachtig liep. De vrouw had een grote tas bij zich en in die tas was ze iets aan het zoeken. Eerst op de tast, maar toen dat geen resultaat opleverde, nam ze een kijkje in het binnenste, terwijl het zoeken onverdroten verder ging. Er werd van alles verplaatst, zag ik.

Toen haalde ze uit de grote tas een tweede tas tevoorschijn, een handtas die ze openknipte en in razende vaart vakje voor vakje doornam, precies zoals mijn moeder dat deed. Maar mijn moeder zocht niets, niet in haar tas in ieder geval. Als ze iets zocht was het haar moeder.









Sex en fun vingeren en klaarkomen


grote lul gezocht meisjes die willen neuken